Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheppen - (creëren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scheppen 1 ww. ‘creëren’
Mnl. scheppen ‘vervaardigen, creëren’ [1240; Bern.].
Os. skeppian; ohd. scephen (nhd. vero. schöpfen ‘creëren’, maar nog wel de afleiding Schöpfung ‘schepping, creatie’); ofri. skeppa (nfri. skeppe); oe. scieppan; on. skepja (nzw. skapa); got. skapjan; alle ‘maken, creëren’, < pgm. *skapjan- ‘maken, creëren’, een sterk werkwoord van de zesde klasse met stamtijden skop-, skōpum-, *skapan- (nnl. schiep, geschapen). De -j- stond dus alleen in de tegenwoordige tijd. Door analogiewerking ontstonden mengvormen, zoals ohd. scaffōn ‘inrichten, ordenen’ (nhd. schaffen, zie ook → schaffen en → schaften) en in het Middelnederlands bijv. de zwakke vervoegingen schaepte, gheschaept ‘creëerde, gecreëerd’ (onl. gescaphat [ca. 1100; Will.]).
Verdere herkomst zeer onzeker. Omdat betekenissen als ‘maken, scheppen’ soms op woorden uit de houtbewerking lijken terug te gaan (zie bijv. de onder → techniek genoemde woorden), zou het woord bij de wortel van → schaven kunnen behoren.
schepsel zn. ‘geschapen wezen’. Mnl. schepsel ‘creatuur, maaksel’ [1477; Teuth.]. Afleiding van scheppen met het achtervoegsel → -sel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheppen2* [creëren] {schep(p)en 1201-1250} middelnederduits scheppen, oudsaksisch skeppian, oudhoogduits scepfen, oudfries skeppa, oudengels scieppan, oudnoors skapa, skepja, gotisch gaskapjan; mogelijk heeft het woord hetzelfde uitgangspunt als scheppen1, namelijk als we als grondbetekenis aannemen ‘vormgeven via een steekbeitel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheppen ww., mnl. sceppen. Ofschoon dit mnl. ww. zoowel in de bet. “haurire, putten” (overdr. “zich verschaffen”) als in de bet. “creare, voortbrengen, fatsoeneeren” (overdr. “uitdenken, ontwerpen, bepalen, beschikken”) gew. sterk is (in beide bett. ook, hoewel zelden, zwak), moeten we twee ww. onderscheiden: 1. mnl. sceppen “haurire” = ohd. scepfen (sterk; nhd. schöpfen), os. skeppian (zwak) “id.”, een oorspr. zwak ww., wsch. een afl. van germ. *skapa- “vat” (zie schepel); vgl. nog on. skap-ker o. “biervat, waaruit de drinkhorens gevuld worden”, got. skapia (in ’t lat. epigram “de conviviis barbarorum”), gew. als “schenker” opgevat, — 2. mnl. sceppen “creare” = ohd. scepfen (waarbij nhd. schöpfer m., schöpfung v.; ohd. ook al de neubildung scaffan, nhd. schaffen), os. skeppian, ofri. skeppa, ags. scieppan, (on. zonder j: skapa), got. ga-skapjan “creare, maken” (in verschillende talen ook “vaststellen, inrichten”; overal sterk), waarnaast ohd. scaffôn (nhd. schaffen), on. skapa (zw.), skepja (zw.) “id.”. Bij 2. sluiten zich -schap, schepen aan; mogelijk is ook *skapa- “vat” (zie boven bij 1) verwant (zie echter bij schop II). De bett. zouden zeer goed te rijmen zijn, als we “maken, creare” uit de grondbet. “door beitelen kunstvol vervaardigen” mogen afleiden: dan zou * skapa- oorspr. “het uitgeholde, uitgeschaafde voorwerp” beteekend hebben. Een basis sqab- “beitelen, schaven” heeft men inderdaad behalve voor scheppen enz. aangenomen voor lat. scabo “ik kras, wrijf, beitel” en zijn balt.-slav. verwanten; het ligt echter meer voor de hand om hiervoor van *sqabh- uit te gaan: zie schaven; naast de synonieme aldaar besproken bases sqap- en sqabh- kan echter best sqab- hebben bestaan. Bij elke verklaringshypothese blijft hier veel onzekers. Zie nog schepel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheppen 1 o.w. (vormen), Mnl. id., Os. skeppian + Ohd. scepfen (Mhd. schepfen, ouder Nhd. schöpfen), Ags. scieppan, Ofri. skeppa. On. skepja en skapa. (Zw. id., De. skabe), Go. skapjan: niet buiten het Germ. : z. schap 2. Nevens scepfen had het Ohd. ook scaffôn (beide Nhd. schaffen): z. schaffen 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjöppe (ww.) scheppen; Vreugmiddelnederlands skeppen <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3skep ww.
1. Lewe of vorm gee, voortbring. 2. Veroorsaak, teweegbring.
Uit Ndl. scheppen (Mnl. sceppen in bet. 1, 1642 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scheppen (voortbrengen), van den Germ. wt. skap, zie Schaffen. In de bet. van: water scheppen is scheppen niet duidelijk verklaard, misschien afgeleid van ’t Germ. skap (Os. scap) = schep, zie Schepel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheppen ‘creëren’ -> Negerhollands skaep ‘creëren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheppen* creëren 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut