Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schenken - (gieten; geven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schenken ww. ‘gieten; geven’
Onl. skenken ‘iemand drank aanbieden, gieten’ in ich skenkan thich gepimentadon win ‘ik schenk je gekruide wijn’ [ca. 1100; Will.]; mnl. schinken ‘gieten, inschenken’ [1240; Bern.], sc(h)enken ‘id.’ in dirste macten, dander tapten ende die derde scencten ‘de eerste bereidde hem (de wijn), de tweede tapte hem en de derde schonk hem in’ [1290-1310; MNW-P], ‘uit eerbied geven’ in Entie stat scincte hem ... Wijn ende costelike lakene ‘en de stad schonk hem wijn en kostbaar laken’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. hi schanc sijn dochter ende margrieten vier gevanghen heren ‘hij schonk aan zijn dochter en Margriet vier gevangenen’, Dese viere waren hem beyden ghesconcken vanden keiser ‘deze vier waren hun beiden geschonken door de keizer’ [beide 1516; MNW-P].
Afleiding van Proto-Germaans *skanka- (bn.) ‘schuin, scheef’, zie → schenkel. Men moet daarbij denken aan het scheefhouden van de kan om er drank uit te gieten.
Os. skenkian (mnd. schenken, en door ontlening me. skinken (vne. skink) en on. skenkja (nzw. skänka)); ohd. scenken (nhd. schenken); ofri. skenka, skanka, skenza, skanza (nfri. skinze (veroud.); oe. scencan (me. schenchen, zie → lunch); alle ‘gieten, inschenken, te drinken geven’, < pgm. *skank-jan-.
Het woord betekende oorspr. alleen ‘inschenken van drank’. In het continentaal West-Germaans breidde de betekenis zich uit naar ‘trakteren, uit eerbied geven’. Dit gebeurde pas in de Middelnederduitse c.q. Middelhoogduitse periode, en ook in het Middelnederlands is deze betekenis vóór de 15e eeuw niet geattesteerd. Zie ook → geschenk.
Schenken is een afgeleid werkwoord en werd oorspr. dan ook zwak vervoegd (schenkte, geschenkt). In het Vroegnieuwnederlands heeft het woord een sterke vervoeging gekregen (schonk, geschonken) naar analogie van de sterke werkwoorden van de derde klasse, bijv. drinken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schenken* [gieten, geven] {sche(i)nken, schinken [schenken, te drinken geven, idem om iem. te trakteren, ten geschenke geven] 1265-1270} oudsaksisch skenkian, oudhoogduits scenken, oudfries skenka, oudengels scencan; de grondbetekenis is ‘scheef houden’, vgl. oudnoors skekkja [schuin plaatsen]; verwant met schenkel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schenken ww., mnl. scenken, scinken (zwak, later ook sterk) ‘inschenken, tracteren, geven’, os. skenkian ‘inschenken’ (mnd. schenken ook ‘geven’), ohd. skenken ‘inschenken’, ofri. skenka, skanka, skenzia, skansa, oe. scencan, (on. skenkja uit mnd.). — Men moet uitgaan van een bet. ‘scheef houden om de drank uit de kan te gieten’; het woord is dus afgeleid van het onder schenkel genoemde germ. *skanka ‘scheef’ (vgl. on. skekkja ‘schuin plaatsen’). Zo is ook on. hella ‘uitgieten’ afgeleid van hallr ‘scheef’ — > ne. dial. skink (sedert 1386, vgl. Bense 383).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schenken ww., mnl. scenken, scinken (zwak, later-mnl. ook al sterk, vgl. zenden) “inschenken, tracteeren op (wijn, een maaltijd e.dgl., ter eere van iemand), geven”; = ohd. scenchen “inschenken, te drinken geven” (mhd., nhd. schenken; mhd. reeds met de bet. “geven”), os. skenkian “id.” (mnd. schenken ook “geven”; > on. skenkja “inschenken”), ofri. skenka, skanka, skenzia, skansa, ags. scencan “inschenken”. Hierbij mnl. scenke, scinke (ook al scenker, scinker > nnl. schenker), ohd. scencho (nhd. schenk), os. skenkio m. “schenker” (uit ’t Du.-Ndl., fr. échanson); ofri. skenzie (schansa) v. “schenkkan”; ags. scenc m. “drinkbeker, drank”. Men combineert deze woordfamilie met die van schenkel: sommigen gaan van laat-mhd. schanc m. “glazen-, pottenrek” uit, wat wegens het late en op zeer beperkt gebied voorkomen van dit woord onwsch. is, anderen nemen – plausibeler – een grondbet. “(een kan) scheef houden” aan, daarbij wijzend op on. hella “uitgieten” (van hallr “hellend”, zie hellen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schenken o.w., Mnl. id., Os. skenkian + Ohd. scenchen (Mhd. schenken, Nhd. id.), Ags. scencan (Eng. to skink), Ofri. skenka, On. skenkja (Zw. skänka, De. skjenke): denomin. van schank (z. schenkel), daar water en dranken in dierenhuiden bewaard of vervoerd werden, en men aan een der schenkels tapte. Uit Germ. komt Fr. échanson (Os. scenkjo, Mnl. schenke).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjinke (ww.) geven; Middelnederlands scincen <1460-1480>.

sjinke (ww.) gieten; Vreugmiddelnederlands skenken <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skenk: gee; skenk en skink het doeb. geword, hoewel albei berus op Ndl. schenken (Mnl. scenken/scinken), waarvan bet. ontw. het v. “(drank) uitgiet” tot “aanbied; gee”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schenken bet. oorspr.: te drinken geven; men schenkt bijv. een gast wijn; later ontstond hieruit ook de bet. van: iets aanbieden, iets geven, iets voor niemendal geven. Men houdt het verwant met het Germ. woord skank: dat drinkkast, buffet bet. (In ’t Hgd. is dialectisch Schank nog een glazen pottenkast en in de gewone taal is Schenke = herberg.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schenken ‘gieten; geven’ -> Engels † skink ‘inschenken, tappen; serveren; cadeau doen, legateren’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens skænke ‘gieten; geven’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skjenke ‘inschenken; geven’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skänka ‘geven’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect chinki, chinker; chinquer ‘klinken; uitnodigen te drinken en eten’; Negerhollands skenk ‘gieten; geven’; Papiaments † schenken ‘geven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schenken* gieten 1100 [Willeram]

schenken* geven 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2574. Iemand klaren wijn schenken,

d.i. iemand de zuivere, onvervalschte waarheid zeggen; ronduit zeggen wat men meent; vgl. Kil.: Klaeren wijn, vinum defaecatum, purum, repurgatum; hd. einem reinen Wein einschenken (Wander V, 118); Kippev. I. 176: Als edelman is hij verplicht klaren wijn in te schenken; Nkr. III, 1 Aug. p. 3: Wat verkeerds ziet g'er in om klaren wijn te schenken; VIII, 9 Mei p. 2: Van wat Jan of Klaas in het vuur van den stembusstrijd miszegd mogen hebben, daar wil ik afwezen; maar de koncentratie heeft op dit punt altijd klaren wijn geschonken; oostfri. reine wîn inschenken; Reuter, 128 a.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut