Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schenkel - (onderbeen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schenkel zn. ‘onderbeen’
Onl. al in de toenaam van Arnout Scinkel [1175; Debrabandere 2003]; mnl. sc(h)inkel, sc(h)enkel ‘been’ in langhe scinkele achterwart ‘van achteren lange poten’ [1287; VMNW], dyescinkel ‘dijbeen’ [1351; MNW-P], Den scinkel ontwee ‘het been in tweeën’ [1374; MNW-R], schenckel ‘onderbeen’ [1477; Teuth.].
Afleiding van Proto-Germaans *skanka- (bn.) ‘schuin, scheef’ met het oude verkleiningsachtervoegsel -el zoals in → druppel, dat umlaut veroorzaakte. De naamgeving berust op het schuin ten opzichte van elkaar staande dij- en onderbeen. Illustratief is daarbij de samenstelling mnl. scenkeldijc ‘dijk die twee bestaande dijken met elkaar verbindt’ [1285-86; VMNW]: zo'n dijk vormt meestal een hoek met de oude dijk.
Mnd. schenkel; ohd. scinkal (nhd. Schenkel); oe. scencel; nno. skankla; < pgm. *skank-il-a-. Daarnaast zonder verkleiningsachtervoegsel: mnd. schenke (met -e- o.i.v. schenkel?), nnd. schanke; oe. scanca (ne. shank); nde. skank, nzw. skank; en ablautend: (v)nnl. schonk; os. skinka (mnd. schinke); ohd. scinka, scinko (nhd. Schinken ‘ham’); ofri. skunk(a) (nfri. skonk ‘been’). Al deze woorden betekenen ‘bovenbeen’ en/of ‘onderbeen’.
Als bn. is pgm. *skanka- ‘scheef’ alleen in het Noord-Germaans geattesteerd: on. skakkr ‘scheef, verkeerd; kreupel’ (nijsl. skakkur ‘krom’, nno. skakk ‘scheef, krom’, nzw. dial. skank, skack ‘id.’). Hiervan afgeleid is het werkwoord → schenken.
Verwant met: Grieks skázein ‘hinken’; Sanskrit khañjati ‘id.’, sákthi ‘schenkel’; < pie. *(s)keng-, *(s)kong-, *(s)kng- (LIV 555). Zonder s-mobile is mhd. hanke ‘schenkel, heup’, mnd. hunke ‘been’ en misschien ook → hinken verwant.
In het Middelnederlands kan het woord op het bovenbeen, het onderbeen, of het gehele been betrekking hebben. Hetzelfde geldt voor de corresponderende woorden in de andere Oudgermaanse en Germaanse talen. Het heeft veelal betrekking op slachtdieren, maar bijv. in het Hoogduits is het het algemene woord voor het menselijk been geworden (Oberschenkel ‘dij, bovenbeen’, Unterschenkel ‘onderbeen’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schenkel*, schinkel [onderbeen] {sche(i)nkel, schinkel in de persoonsnaam Woutersoete Scinkel 1267} middelnederduits, middelhoogduits schenkel, verkleiningsvorm van middelnederlands schenke, schinke [been, bovenbeen met vlees, ham] (vgl. schink), oostfries schanke, oudengels scanca; buiten het germ. grieks skazein [hinken], en zonder s:, oudindisch khañjati [hij hinkt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schinkel znw. m. ‘kort en dik touw om een takel te verlengen’, waarnaast ook de vorm schenkel (Winschooten 1681 noemt beide vormen). Hetzelfde woord als schenkel, dat dial. ook schinkel heet, hetzij met een secundaire overgang van e > i, hetzij uit een grondvorm *skinkila-. — Uit het nnl. > nhd. schinkel-haken en nde. skinkel.

schenkel znw. m., mnl. scenkel m., mnd. mhd. (nhd.) schenkel < germ. *skankila verkleinwoord van *skanka vgl. mnd. schenke, oostfri. schanke, oe. scanca ‘schenkel’ (ne. shank ‘onderdij’), nde. skank ‘dierbeen tussen knie en voet’, nzw. skank, bovenschenkel, ‘scheenbeen’. Daarnaast staan abl. os. skinka, mnd. schinke m. v., ohd. scinko m. scinka v. ‘schenkel’ (nhd. schinken) en ook schonk. — Bij het germ. *skanka ‘scheef’, waarvan on. skakkr. — Idg. wt. *(s)keng ‘hinken; scheef, schuins’, vgl. oi. sákthi- ‘schenkel’, gr. skazō ‘hinken’ en voor vormen zonder s- vgl. mhd. hanke ‘schenkel, heup’ en oi. khañjati ‘hinkt’ (IEW 930). — Vgl. ook: hinken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schinkel (kort en dik touw om een mastkop). = dial. schinkel “schenkel”. Ook schenkel zelf komt in dezelfde overdr. bet. voor; bij Winschooten, Seeman, 1681 beide vormen. Uit ’t Ndl. de. skinkel “schinkel”; in de du. zeemanstaal de samenst. schinkel-haken m.

schenkel znw., mnl. scenkel m. = mhd. (nhd.), mnd. schenkel m. “schenkel”. Bij germ. *skaŋka-, waarop on. skakkr “scheef” teruggaat; vgl. met dgl. bet.-ontwikkeling als schenkel noorw. dial. skonk (mv. skenker) v. “schenkel, dijbeen”, oostfri. schanke “been, bot”, vla. schank “been, voet, arm, vuist”, ags. sc(e)onca m. “scheen, dij” (eng. shank) en met ablaut: 1. schonk, 2. ohd. scincho m. (nhd. schinken), scincha v. “beenpijp, schenkel”, os. skinka v. “schenkel, been”, waarvan mnd. schinkel m. “schenkel, wagenas” = mnl. (nog dial.) scinkel m. “id.” (minder wsch. met schenkel geïdentificeerd). Zonder anlauts-s nhd. hanke v. “heup, schenkel” (> fr. hanche “heup”). De grondbet. van de basis is “buigen, krom zijn” (vgl. voor de bett. ham I, en gr. skélos “schenkel, been” van de bij scheel II besproken basis) en de combinatie met de woordfamilie van hinken is dus weinig wsch. Wel zouden gr. knḗmi “scheen”, ier. cnâm “been” verwant kunnen zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schenkel. De combinatie met hinken is aannemelijk. Voor gr. knḗmē ‘scheen’, ier. cnâm een andere verbinding bij ham I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schinkel 2 m. (touw), hetz. w. als schinkel 1.

schenkel m., + Hgd. id.: dimin. van schank = knook + Ags. sceenca (Eng. shank), Zw. en De. skank. Daarnevens met ablaut schonk (z.d.w.) en schink + Ohd. scincho (Mhd. schinke, Nhd. schinken); daarnevens zonder anlauts -s Mnl. hancke, Nhd. hanke = heup (waaruit Fr. hanche) + Gr. knḗmē = scheen, Oier. cnám = been.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skenkel s.nw. Ook skinkel.
1. Onderbeen tussen die knie en voet by die mens. 2. Gedeelte van 'n dier se poot wat met die skenkel (skenkel 1) van die mens ooreenstem.
Uit Ndl. schenkel (Mnl. scenkel in bet. 1, 1868 - 1871 in bet. 2).
D. Schenkel (10de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skinkel: – (minder gew.) skenkel – , onderbeen (by mens); onderagterpoot (by soogdier); Ndl. schenkel (minder gew. schinkel, Mnl. scenkel), Hd. schenkel, hou verb. m. Ndl. scheen, Afr. skeen en m. Eng. shank en shin, hoërop m. Gr. knêmê, “skeen”; v. ook hakskeen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schenkel, schinkel ‘onderbeen; been van dier met vleesresten; zwaar (staaldraad)touw, dienende tot verlenging van een takel’ -> Engels † schinkel ‘(achter)ham’; Deens skinkel ‘zwaar (staaldraad)touw, dienende tot verlenging van een takel’; Noors skinkel ‘zwaar (staaldraad)touw, dienende tot verlenging van een takel’; Russisch škéntel' ‘zwaar (staaldraad)touw, dienende tot verlenging van een takel’; Oekraïens škéntel' ‘zwaar (staaldraad)touw, dienende tot verlenging van een takel’ ; Creools-Portugees (Ceylon) schenkle ‘enkel’; Singalees † senkalya ‘onderbeen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schenkel* onderbeen 1267 [CG I]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut