Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schenden - (schade berokkenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schenden ww. ‘schade berokkenen’
Onl. skendon ‘te schande maken, in de eer aantasten, beschamen’ in ne uuerthe ic gescendit an euuon ‘moge ik nooit beschaamd worden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sc(h)enden, ook ‘lichamelijk letsel toebrengen, te gronde richten’ in hi ontfruchtte datten schenden Die uiant soude in enen dage ‘hij vreesde dat de duivel hem in één dag te gronde zou richten’ [1265-70; VMNW], Als hem teuel aldus scende ‘toen de kwaal hem zodanig schond’ [1285; VMNW], ook schennen [1470-90; MNW-R]; vnnl. gheschonden (sterk verl.deelw.) [1566; iWNT], schenden ook ‘inbreuk maken op’ in dat hy 't verdragh geschendt ... hadde [1642; iWNT]; nnl. zo hy die wetten ... had geschonden ‘indien hij die wetten had overtreden’ [1735; iWNT].
Afleiding met umlaut van → schande.
Mnd. schenden; ohd. scenten (nhd. schänden); ofri. skenda (nfri. skeine); alle ‘te schande maken, in de eer aantasten’; < pgm. *skandijan-.
De oorspr. betekenis is ‘te schande maken, in de eer aantasten’, meestal gezegd van personen, en bij uitbreiding ‘fysiek aantasten, letsel toebrengen’. Deze betekenissen komen vooral nog voor in combinatie met de woorden eer, waardigheid e.d. (iemands eer schenden), in het spreekwoord wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht en in het bn. (< verl.deelw.) geschonden, bijv. in geschonden lichamen, een geschonden graf. In het Vroegnieuwnederlands begon het aspect ‘aantasten’ zich vooral te richten op niet-nagekomen afspraken; dit is nog steeds de belangrijkste hedendaagse betekenis: men schendt bijv. verdragen, wetten, rechten, verboden, patenten, privacy.
Schenden is een afgeleid werkwoord en werd oorspr. dan ook zwak vervoegd (mnl. schende, gheschent). In het Vroegnieuwnederlands heeft het woord een sterke vervoeging gekregen (schond, geschonden) volgens die van de sterke werkwoorden van de derde klasse, zoals vinden, bergen.
In het Middelnederlands al is een nevenvorm schennen ontstaan, door assimilatie van nd > nn, te vergelijken met vinden > vinnen. Deze vorm schennen (met, eveneens door assimilatie, verl.deelw. geschonnen) heeft slechts een marginaal bestaan geleid, maar wordt nog steeds erkend door de hedendaagse woordenboeken.
schennis zn. ‘ontering’. Mnl. Dat got schennesse geue di ‘dat God schande over je mag laten komen!’ [1265-70; VMNW], scennesse ‘schandelijke behandeling’ [ca. 1375; MNW], scendenisse ‘id.’ [1400-50; MNW]. Afleiding van schenden of schennen in de oorspr. betekenis ‘te schande maken, in eer of waardigheid aantasten’ met het achtervoegsel → -nis < mnl. -nesse/nisse. Dit woord is vooral bekend uit de samenstelling heiligschennis die sinds de jaren 40 van de 19e eeuw (WNT) veelvuldig in het Nederlands wordt aangetroffen. ♦ schending zn. ‘het schenden’. Vnnl. schending ‘aantasting’ in Tot schending van den rijcken oest ‘... oogst’ [ca. 1626; iWNT reizer], en lijny zonder schending ‘een ononderbroken opeenvolging’ [1648; iWNT]; nnl. schending ‘het schenden, inbreuk’ [1701; iWNT verbreking]. Regelmatige afleiding met het achtervoegsel → -ing van schenden, tegenwoordig alleen in de hedendaagse betekenis ‘inbreuk maken op (verdragen, wetten e.d.)’.
Lit.: Van der Sijs 2001, 166-167; Royen, Taalrapsodie 1953: 599-602

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schenden* [schade berokkenen] {sche(y)nden, schinden 1220-1240} middelnederduits schenden, oudhoogduits scenten, oudengels scendan; van schande.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schenden ww. mnl. scenden (zwak!) ‘onteren, schenden, benadelen, ergeren’, onfrank. scendan ‘confundere’, mnd. schenden ‘tot schande brengen, verkrachten, schenden, smaden, benadelen’, ohd. scenten ‘tot schande brengen’ (nhd. schänden). — Afl. van schande.

schennen ww., mnl. scennen is ontstaan uit schenden, aangezien men het verl. deelw. gescant, gescent opvatte als afgeleid van een ww. schennen. Daarnaast kan het woord schennis invloed hebben uitgeoefend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schenden. Zie schande. Voor de nnl. sterke flexie vgl. zenden.

schennen ww., reeds mnl. voorkomend, kan onder invloed van schennis zijn opgekomen, maar ook kan het zijn ontstaan, doordat men de t (d) van het verl. deelw. mnl. ghescant (ghescent) e.dgl. vormen als formantisch element voelde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schenden 1 o.w. (onteeren), Mnl. id. + Hgd. schänden: denomin. van schande.

schenden 2 o.w. (villen, berooven, mishandelen, aanranden), Mnl. schinden + Hgd. schinden: denom. van *schind = huid + Ohd. scind, On. skinn (Zw. id., De. skind), waaruit Eng. skin. Hierbij straatschender.

schenden 3 o.w. (ijlen, voortjagen, ophitsen), Mnl. schunden, schinden, schunnen, Os. skundian + Ohd. scuntan, Ags. scyndan, On. skynda (Zw. id., De. skynde): z. schoner. - Deze drie zw. werkw. werden verward en tot sterke gemaakt.

schennen o.w., = schenden, met dial. nn uit intervoc. nd; cf. dial. vijnen = vinden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schennen, ww.: schelden. Mnl. schenden, schennen ‘schandvlekken, iemands eer schenden’, D. schänden ‘belasteren’.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skend ww.
1. Beskadig, misvorm. 2. Onteer. 3. Beledig, belaster. 4. Ontheilig, ontwy, bv. 'n kerk. 5. Verbreek, inbreuk maak op iets, bv. die neutraliteit van 'n land.
Uit Ndl. schenden (al Mnl.), gevorm van dieselfde stam as schande. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm skende.
D. schänden.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schaene schelden (Meierij, Bommelerwaard). = nl. schenden = hgd. schänden ‘belasteren’ ~ schande.
Van Rijen 160, Van de Water 127, eigen mat., WNT XIV 420-426, Swanenberg red. 1993, 220.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

schenden. In de Middelnederlandse Beatrijs komt reeds voor de zelfverwensing soe moet mi God scinden. In de 17de eeuw noteren wij ook soo moght my de pocken schenden. Als schenden een persoon of lichaamsdeel tot object heeft, betekent het ‘toetakelen, kwetsen, beledigen, kwaad doen’, en ook ‘verderven, ten gronde richten, ombrengen’. Het is dus niet verwonderlijk dat het vaak in verwensingen wordt gebruikt. “God sceyn der nijders tonghen” ‘moge God de tongen van de vijanden toetakelen’, staat er in het Antwerps Liedboek [1540]. Overigens vond ik geen verwensingen met dit werkwoord na de 17de eeuw. → hagel.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schenden, zie Schande. In sommige bet. is schenden (Mnl. schinden) een denom. van een verloren gegaan woord schind, dat huid bet. en dan voorkomt als villen (zie Plunderen); in ’t Hgd. is Schinder = vilder. Dit schinden, schenden bet. bij overdracht ook: vernielen, mishandelen, aanranden; vgl. straatschender. Zie Schennis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schenden ‘schade berokkenen’ -> Deens † skænde ‘schelden, (verouderd) ontheiligen, (formeel) verkrachten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skjende ‘ontheiligen, onteren, verkrachten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skända ‘schade berokkenen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schenden* schade berokkenen 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1631. Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht,

d.i. wie van zijne nabestaanden kwaad spreekt, deelt zelf in de schande. Vgl. Fridank, 118, 3: Sin selbes schande er mêret der sîn geslehte unêret; mnl. sijns selfs locht scuut hi sere, die sinen gheslachte sprecht onnereTijdschrift XII, 101; 108.. Zie verder Campen bl. 8: wie syn noese afsnijdet, die schendet syn aensicht, variant van die zyn neus snydt, schendt zyn gezicht (zie Ndl. Wdb. IV, 2207); Goedthals, 28: die synen neuse scheynt bederft zyn aensichte; Hooft, Schijnheilig, 435: Doe hy my altemael had laeten wtkallen, seidt hy; êele man, houdt uw rust; 't is uw huisvrouw: snydy uw neus af, ghy schent uw aensicht; Smetius, 129; Van Moerk. 561; Cats I, 476 en Tuinman I, 199: Die zyn neus afsnyd, schend zyn aangezigt (zoo ook bij Halma, 379); dit drukt aardiguit, dat yemand zich onteert, door gebreken van zyne nabestaande te ontdekken; II, 60: Dit is een oud spreekwoord; 't wil zeggen, dat schoon tusschen bloedverwanten wel eens twist ontstaat, die echter niet te hoog moet loopen, om dat zy altoos moeten denken, dat ze malkanders vleesch zyn, en blyven; C. Wildsch. IV, 36; 190; Ppl. 43; 80; Nkr. III, 10 Jan. p. 2: Wees maar niet bang dat ik u in de krant zal zetten; we dragen immers één naam, en wie z'n neus schendt, schendt z'n aangezicht; Villiers, 87. Voor Zuid-Nederland zie De Bo, 739 a; Antw. Idiot. 1915: die zijnen neus schendt, schendt zijn aangezicht; Waasch Idiot. 457 b; 574 a: schendt ge uwen neus, ge schendt uw aangezicht. In het hd. wer seine Nase abschneidet, der schändet sein Angesicht; fr. c'est se couper le nez pour faire dépit à son visage; oudfr. qui son nez coupe il déserte son vis; eng. don't cut your nose off to spite your face; de. hoo som skaerer sin Naese af, skamferer sit eget Ansigt; zie verder Taalgids IV, 264; Dirksen I, 68; Jahrb. 38, 161; Wander III, 951-952 en vgl. het fri. dy 't him sels yn 'e noas byt, skeint syn antlit of oansicht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal