Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schemeren - (tussen licht en donker zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schemeren ww. ‘tussen licht en donker zijn’
Mnl. sc(h)emeren ‘schitteren, glinsteren’ in die sonne sceen vp die scilde neder, Van goude so dat die berghe weder Scemerden van der clarhede ‘de zon scheen op de gouden schilden, zodat de bergen de glans weerkaatsten’ [1285; VMNW wederschemeren], Thaer scemerde hem also .i. pau ‘zijn haar glansde als (de veren van) een pauw’ [1350-1400; MNW-R], ‘donker worden’ in Het daghet ende scemert in gheliker voech ‘het wordt licht en het wordt donker op overeenkomstige wijze’ [1450-1500; MNW]; vnnl. schemeren ‘tussen licht en donker zijn, duister worden’ [1573; Thes.].
West-Germaanse afleiding (frequentatief) van een zn. pgm. *skimō- ‘lichtglans; schaduw, schim’, waaruit o.a. mnl. sc(h)eme ‘schaduw, schim’ [1375-1400; MNW-R]. De -m- gaat wrsch. terug op een oud Indo-Europees achtervoegsel -mo- waarmee abstracte zn. worden afgeleid, zie → helm 1. Dit pgm. woord is een afleiding van de wortel van het sterke werkwoord → schijnen.
Mnd. schemeren ‘donker worden of maken, schemeren’ (waaruit door ontlening nhd. schimmern ‘zwak schijnen, glinsteren’, en mogelijk nzw. skimra ‘id.’); nfri. skimerje ‘zwak schijnen, schemeren’; oe. scymrian ‘schitteren, glanzen’ (ne. shimmer ‘flikkeren, glinsteren’). Bij mnl. sc(h)eme horen: os. skimo ‘schaduw’ (mnd. skeme ook ‘schim’); mhd. scheme ‘schim, spook’ (nhd. Schemen); nfri. skym; oe. scima; on. skimi ‘lichtglans’ (nno. skime); < pgm. *skimō-. Daarnaast de stamvariant *skima-, zie → schim. Met lange klinker bovendien pgm. *skīman-, waaruit: onl. skīmo (mnl. schime ‘schijn, gedaante’); os. skīmo; ohd. skīmo; oe. scīma; alle ‘schijnsel, glans’; got. skeima ‘fakkel’.
De betekenissen van de bovengenoemde woorden in het Nederlands en de andere Germaanse talen zijn grofweg te verdelen in enerzijds ‘schittering, schijnsel’, anderzijds ‘schaduw, duisternis’. Een lichtschijnsel gaat in de praktijk meestal samen met een schaduw, zodat deze schijnbaar tegenstrijdige betekenissen toch goed zijn te verklaren. Ook in het Nederlandse onpersoonlijke werkwoord schemeren ‘tussen licht en donker zijn’ komen beide aspecten naar voren. Het woord kan ook een onderwerp hebben, en betekent dan ‘in een flauw of half licht waarneembaar zijn’.
schemering zn. ‘toestand tussen licht en donker’. Vnnl. in Den 25 Octobris des avonts in de schemering [1574; iWNT]. Afleiding van schemeren met het achtervoegsel → -ing. ♦ schemer zn. ‘schemering’. Vnnl. schemer ‘schaduw, schim’ [1599; Kil.]; nnl. schemer ‘vage gedaante, schijnsel’ in Een' schemer van haar beeldtnis [1807; iWNT vonkeren], zijn schemer is bedrog [1808; iWNT glinster], ‘schemering’ in als de eerste schemer gloort [1819; iWNT]. Afleiding van schemeren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schemeren* [tussen licht en donker zijn] {1285 in de betekenis ‘glanzen, flikkeren, met een schaduw bedekt zijn’} iteratief van middelnederlands schemen [lichtglans afgeven, schaduw geven], van scheme, schiem [weerspiegeling, schaduw, schim van dode, hersenschim], oudsaksisch skimo, oudengels scima [schaduw], oudnoors skimi [glans], gotisch skeima [lantaarn]; verwant met schijnen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schemeren ww. mnl. scēmeren ‘met een schaduw bedekt zijn; glanzen, flikkeren, schitteren’, mnd. schēmeren ‘beschaduwen, donker zijn, worden of maken, schemeren’, scimeringe ‘schemering’ (met os. vocalisme, waaruit sedert Luther nhd. schimmern), oe. scimrian ‘glanzen’ (ne. shimmer). — Een afl. van mnl. scēme m. v. o. ‘schaduw, schim, lichtglans’, os. skimo, mhd. scheme (nhd. schemen), oe. scima m. ‘schaduw’, on. skimi m. ‘glans’ en abl. onfrank. scīmo, os. skīmo, ohd. scīmo, oe. scīma m. ‘glans’, got. skeima m. ‘fakkel’. Germ. grondvormen *skī̆man, afgeleid van *skĩma in on. skim ‘glans’ (zie: schim). — Voor verdere verwanten zie: schijnen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schemeren ww., mnl. scēmeren “met schaduw bedekt zijn, schemeren, schitteren”, ook “nubilare (oculum)”, = mnd. schēmeren “beschaduwd, donker zijn, worden of maken, schemeren” (met os. vocalisme scimeringe “schemering”, Cheltenham’sche glosse) (waarnaar nhd. schimmern met het znw. schimmer m.), ags. scimrian “glanzen” (scymriend “ceruleus”; eng. to shimmer). Dit sluit zich aan bij mnl. scēme m. v. o. “schaduw, schim, lichtglans”, mhd. schëme (nhd. schemen), os. skimo, ags. scima m. “schaduw”, on. skimi m. “glans”. Met ablaut: onfr., ohd. scîmo, os. skîmo, ags. scîma m. “glans”, got. skeima m. “fakkel”, waarbij zich hagelandsch schijmel “schaduw” aansluit. Met suffix idg. -mon- van de basis skĭ-; zie schijnen. Een stam *skima- behalve in on. skim o. “glans” wsch. in mnl. scim, scem (m.?) “schaduw, schim (van een afwezige)” (nnl. schim, Kil. schimme “Holl.”; de mm is bij onze opvatting als secundair te beschouwen), mhd. schim m. “schaduw, schaduwbeeld”. Voor de bet. vgl. nog mnl. be-scînen “beschaduwen” (Limb. Serm.). Zie schimmel I, schimmel II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schemer, schemeren znw. resp. ww., sedert de 16e eeuw komt het synonieme ww. schemelen voor, waarbij het znw. schemel m. (nog zuidndl.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjiemere (ww.) schemeren; Vreugmiddelnederlands schemeren <1285>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schemeren, frequent, van ’t Mnl. schemen = glanzen, dof glanzen; afl. van den Idg. wt. ski = schijnen (z. d. w.); verwant is schim. Vgl. nog ’t Mnl. „Als de sonnesceem (= schijn) gaet door dat glas”. – „Een mensch is eene scheem (schijnsel, schaduw, schim) gelijck”. „Recht als een scheem ben ick vergaen.” – Schemeren beteekende dan ook oudtijds schitteren: „si sullen scemeren van scoenheden” (= schoonheden).
Onder den invloed van scheem (= schaduw) werd Schemen schaduwen, beschaduwen; vgl. „God beschikte een wonderboom boven Jona’s hoofd, opdat die hem beschemen soude”, en het frequ. schemeren werd: duister worden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schemeren ‘tussen licht en donker zijn’ -> Duits schimmern ‘tussen licht en donker zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schemeren* tussen licht en donker zijn 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut