Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schelf - (hoop hooi e.d.)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schelf2* [hoop hooi e.d.] {schelve, schelf [hooischelf] 1377-1378} middelnederduits schelf, oudnoors skjalf [bank], oudengels scylf(e) [plank, bank] (engels shelf); buiten het germ. latijn scalpere [(in hout) snijden, (in steen) beitelen], grieks skalops [mol, eig.: de graver], oudkerkslavisch skala [steensplinter]; ook aardschol is verwant, evenals schelp, schel2, schil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schelf 1 znw. v., mnl. scelf m. ‘hooischelf’, bij Kiliaen ‘planken beschot, stellage van planken’, mnd. schelf ‘planken bouwsel om er iets op of onder te zetten’, oe. scielfe v. ‘planken vloer, verdieping’ (ne. shelf), verder Kiliaen schelffe ‘schub’, ohd. sceliva v. ‘huls, schil’, (zie ook: schilfer). — Behoort tot de onder schel 1 behandelde woordgroep. — > me. skelfe (1396-7), ne. dial. schots skelf ‘planken stellage’ (vgl. Toll 40).

De bet. ‘hooischelf’ zal wel daaruit te verklaren zijn, dat het hooi op of om een houten stellage opgetast werd. — Het on. skjalf in de mythologische namen Hliðskjalf en Valaskjalf is te onzeker om hier aan toe te voegen (AEW 494).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schelf znw., mnl. scelf m. “hooischelf”. Ouder is de bet. “planken beschot, planken stellage”, die Kil. opgeeft. = mnd. schëlf “planken stellage om iets op of onder te zetten”, ags. scielfe v. “planken vloer, verdieping” (eng. shelf), on. skjalf (in Hlîð-skjalf) v. “bank”. Van de idg. basis sqelep- “snijden, hakken”, waarvan ook ohd. sceliva v. “huls, schaal van vruchten”, Kil. schelffe “schub” en ags. scielf m. “rots, tinne” (eng. shelf). Zie verder bij half en schilfer en voor de bett. vgl. het materiaal bij schaal I en schel I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schelf 2 v. (hoop), Mnl. scelf + Ags. scielfe (Eng. shelf), On. skjalf = plank, stellage van planken, bij schilfer. De eerste bet. ware laag, dan reeks lagen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schelf ‘hoop hooi e.d., bergplaats voor hooi waar het op planken wordt gelegd’ -> Fries skelf ‘hoop hooi e.d., bergplaats voor hooi waar het op planken wordt gelegd’; Engels skelf ‘(leg)plank’; Engels shelf ‘(leg)plank’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schelf* hoop hooi e.d. 1377-1378 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut