Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schelen - (afwijken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schelen ww. ‘verschillen, afwijken’
Mnl. scillen, scelen ‘verschillen, verschillen van mening’ in Ende docht den vinders so dorperlic scillen ‘en leek het de keurmeesters zo schandalig af te wijken’ [1290-91; VMNW], Dese drie scillen vele mere in heme dan mechtecheit ende wijsheit ende goetheit ‘deze drie verschillen innerlijk veel meer dan machtig en wijsheid en goedheid’ [1393-1402; MNW], Selden of niet dat si schillen ‘zelden of nooit hebben zij een meningsverschil’ [1440-60; MNW-R]; vnnl. schelen ‘ontbreken’ in en ten schilde niet vele, of wij en zouden weder al heijdensch gheworden hebben ‘het scheelde niet veel of we zouden weer geheel heidens geworden zijn’ [1567; iWNT], ook overdrachtelijk ‘ter harte gaan’ in 'T scheeld Dido niet ... wat naam sij draagt ‘Het zou Dido niet uitmaken welke naam zij draagt’ [1678; iWNT].
Afleiding van mnl. sceel, scil ‘verschil, onderscheid; onenigheid’, zoals in Viel enich sceel inden koor voorscr., ... dat sel die raet ... sceyden ‘zou er enige onenigheid ontstaan in het genoemde rechtsgebied, dan moet de raad dat beslechten’ [1340-79; MNW], Met ganser trauwen sonder scil ‘met volledige trouw zonder mankeren’ [1350-1400; MNW-R], Het is gheen sceel, weder Jooden of heiden ‘er is geen verschil tussen joden en heidenen’ [1400-50; MNW].
Oe. ā-scielian ‘scheiden’; ofri. skilla ‘strijden’; on. skilja ‘scheiden, verdelen; onderscheiden, begrijpen’ (nzw. skilja); < pgm. *skiljan-. Bij het zn. horen: on. skil ‘onderscheid; begrip, beslissing’ (nijsl./ozw. skil; nzw. skäl ‘reden’, vägskäl ‘wegsplitsing, kruising’) en door ontlening me. skil ‘onderscheid; verstand’ > ne. skill ‘bekwaamheid’); < pgm. *skelja- ‘splitsing, verdeling’. Pgm. *skilja- is een afleiding van de wortel pie. *skel(H)- ‘klieven, snijden’, zie → schil.
De klankwettige vorm van het genoemde zn. in het Middelnederlands luidt scil, maar in de verbogen naamvallen scele. Door analogiewerking kon zo ook de vorm sceel ontstaan, en daarbij de werkwoordsvormen scillen en scelen. Het zn. is verouderd, maar nog herkenbaar in de afleiding → geschil. De werkwoordsvorm sc(h)illen is blijven bestaan in de afleiding → verschillen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schelen1* [afwijken] {1290} middelnederduits schelen, oudfries skilla [ruzie maken], oudengels scielian [afscheiden], oudnoors skilja [beslissen]; buiten het germ. litouws skiltis [plak]; vgl. schel2.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

schelen

In de zegswijze: wat scheelt je? betekent schelen niets anders dan: ontbreken, mankeren. Men vraagt dus: wat ontbreekt er aan je gezondheid? Het antwoord moet niet luiden: ik scheel niets, maar: mij scheelt niets. Men zegt immers ook: mij ontbreekt niets. De eigenlijke betekenis van schelen is: verschillen, afwijken. Het kan mij niet schelen is dus: het maakt voor mij geen verschil, het is voor mij om het even. In: het scheelt veel voor: er is een groot verschil, er ontbreekt veel aan, komt dat begrip ontbreken weer tevoorschijn.

Met schelen zijn verwant de woorden verschil en geschil, waarvan het laatste heel dicht het begrip ruzie nadert. Onzeker is of scheel: loens ook tot de familie behoort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schelen ww., mnl. scēlen ‘schelen, verschillen, mankeren, twisten’, mnd. schēlen ‘verschillen, er toe doen, mankeren, de grens vormen, twisten = schēlen ‘scheiden, onderscheiden’, oe. scilian ‘afscheiden’, on. skila ‘beslissen’, vgl. skil o. mv. ‘onderscheid; begrip; beslissing’ en skilja ‘splijten; onderscheiden; begrijpen’ = mnl. scillen ‘zich onderscheiden’ (vgl. nnl. verschillen), ofri. skilla ‘twisten’, oe. āsciellan ‘scheiden’, en verder bij de onder schel 1 behandelde woordgroep.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schelen ww., mnl. scēlen “schelen, verschillen, mankeeren, twisten”. = mnd. schēlen “verschillen, er toe doen, mankeeren, de grens vormen, twisten”. Of met Teuth. schellen “hinderen, deren, schelen” (waarbij schel “gebrech”), ook mnd. en nnd., uit *skaljanan, wsch. van de bij scheel II besproken basis, òf (minder wsch.) = mnd. schēlen “scheiden, onderscheiden”, ags. scilian (meer â-scilian) “afscheiden”, on. skila “beslissen”, waarbij skil o. “onderscheid, beslissing, bescheid”, en dus niet germ. i. [Deze woordgroep is niet met schel I verwant, waarbij wel ags. â-scilian (d.i. â-scielian), â-scealian “enucleare” hooren.] Event. kunnen in schelen tweeërlei ww. zijn samengevallen. Germ. skil- is een verlenging van idg. sḱ(h)i-, sq(h)i-; zie bij scheen. Bij schelen hoort mnl. scēle, sceel o. (m.?) “verschil, geschil”, mnd. schēle “id., gebrek, schade, grens”. Verder hierbij mnl. scil (ll) m. “verschil, twist”, scillen “verschillen, twisten” (nog dial.), nog alg.-ndl. in verschil znw. o., verschillen ww. Zie ook geschil.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schelen. Mnd. schēlen, ags. scilian ‘afscheiden’, on. skila ‘beslissen’, skil ‘onderscheid, beslissing, bescheid’ worden in [ ] uitdrukkelijk van schel I gescheiden wegens de germ. i, die vooral uit de on. woorden moet blijken (het ags. materiaal is niet doorzichtig). Verklaart men echter de on. i in skila en skil naar het zeer veel voorkomende skilja ‘scheiden, delen, onderscheiden, beoordelen, beslissen,’ dan zou de gehele woordgroep met schel I kunnen verwant zijn; de van elders niet bekende l-verlenging van de bij scheen besproken basis zou daarmee ook overbodig worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheelen o.w., in alle bet. van scheel 4.

schelen ono.w., Mnl. id. + Mndd. schelen, On. skilja (Zw. id., De. skille) + Lit. skelti = klieven, Oier. scailim = splijten: z. schaal 2 en schelling.

schelen ono.w., Mnl. id. + Mndd. schelen, On. skilja (Zw. id., De. skille) + Lit. skelti = klieven, Oier. scailim = splijten: z. schaal 2 en schelling.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3skeel ww.
1. Traak, van belang wees, verskil maak. 2. Ontbreek, kortkom. 3. Skort, makeer. 4. Verskil.
Uit Ndl. schelen (1634 in bet. 1, 1642 in bet. 2, 1724 - 1726 in bet. 3, 1738 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skeel II: afwyk; kortkom; traak; Ndl. schelen (Mol. scēlen, “makeer, verskil”), hou verb. m. Ndl. geschil en verschil, Afr. geskil en verskil.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schelen ‘(gewestelijk) scheel kijken’ -> Deens skele ‘scheel kijken; schuin aankijken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skjele ‘scheel kijken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skela ‘scheel kijken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schelen* afwijken 1290 [CG II1 En.Codex]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut