Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schel - (bel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schel 1 zn. ‘bel’
Onl. skella ‘kleine bel’ in Latijnse context: scilla [1136, kopie 1146-55; ONW], schellas (mv.) [1146-49; ONW]; mnl. schella ‘kleine bel’ [1240; Bern.], Eene clocke IIII d., een scelle II d. ‘een grote bel 4 penningen, een kleine bel 2 penningen’ [1252; MNW].
Zelfstandig naamwoord bij het sterke werkwoord mnl. scellen ‘luid klinken’, zie → schellen.
Mnd. schelle; ohd. scella (nhd. Schelle); alle ‘kleine bel’ ; on. skella ‘ratel’ (nzw. skälla ‘schel, bel’) < pgm. *skellō-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schel1* [bel] {schelle 1201-1250} vgl. schel3 [luid klinkend].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schel 2 znw. v. ‘bel’, mnl. scelle, mnd. schelle, ohd. scella (nhd. schelle). — Bij het ww. mnl. scellen ‘weerklinken, barsten’, mnd. schellen, ohd. scellan (nhd. zerschellen ‘te pletter slaan; in stukken springen’), oe. sciellan, on. skjalla ‘weerklinken’. — Lit. skãliju, skãlyti ‘voortdurend blaffen’, lett. skal’š ‘klinkend’ (IEW 550). — Zie ook: schel 3.

Naast de idg. wt. *skel staat ook *kel als woord voor klanken, waarvoor zie: hel 2. Kenmerkend voor de structuur van dergelijke woorden is die van gutturaal + klinker + ll. vgl. nog. gillen en kallen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schel II (bel), mnl. scelle v. = ohd. scëlla (nhd. schelle), mnd. schëlle v. “schel, bel”. Germ. verwanten: schel III bnw., sedert Kil., ags. sciell, on. skjallr “luid klinkend” en het germ. sterke ww, mnl. scellen “weerklinken, barsten” (nnl. schellen is een denominativum van schel II), ohd. scëllan (nhd. in zer-schellen “in stukken geslagen worden”), mnd. schëllen, ags. sciellan, on. skjalla “weerklinken”; met ablaut schal en on. skoll v. “geblaf, lawaai”; De ll òf uit ln òf (event. evenzoo bij andere dgl. germ. woordgroepen met ll) naar de bij balken en bel I besproken woordgroep. Hierbij met één l: on. skal o. “lawaai”, skjal o. “gebabbel”. Buiten het Germ. zijn čech. skoliti “blaffen”, lett. skaľsch (*sqol-jo-) “luid-klinkend” verwant. Naast idg. sqel-ook qel-, qal-: zie hel II. Met anderen anlaut de geluid-aanduidende woordfamilies van gillen en kallen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schel 1 v. en bijv. (klokje, luid), afleid. van den præsensstam van het st. werkw. *schellen: z. schallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1skel s.nw., ww. (verouderd)
Klokkie, of 'n klokkie lui.
As s.nw. uit Ndl. schel (Mnl. shelle). As ww. uit Ndl., gewestelik in S.Ndl. in die vorm schel (1631). Ndl. schel is 'n afleiding van Mnl. scellen 'weerklink'. Eerste optekening in Afr. as ww. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Schelle.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schel (de, -len), bel. Nog net op tijd drukt ze op de schel. De bus stopt met een ruk (Mechtelly 1984: 4). - Etym.: In AN verouderend. SN bel* bet. alleen ’luiklok’. - Zie ook: schellen*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schallen, bet. eig. klinken; vgl. ook schel = bel, en schel (als bijv.nw.) = luid; bijv. een schelle stem.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schel ‘bel’ -> Surinaams-Javaans sekèl ‘bel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schel* bel 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut