Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheiden - (uiteenhalen; een huwelijk verbreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scheiden ww. ‘uiteenhalen; een huwelijk verbreken’
Onl. skēthan ‘zich afwenden, weggaan’ in thu fartheridos (lees farteridos) alla thia scethit (lees scethint) aua thi ‘u hebt allen vernietigd die van u scheiden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. scheiden ‘heengaan, weggaan; bij vonnis oordelen’ in Degone ... die uan desen hus sceden sullen ‘degenen die uit dit huis zullen weggaan’ [1236; VMNW], dat sal de here scheden bider wareden der schepenen ‘daar moet de heer over oordelen op grond van de beëdigde verklaring der schepenen’ [1254; VMNW], Doe hi uan derre werelt schit ‘toen hij van de wereld scheidde’ [1265-70; VMNW], ‘echtscheiden’ in Dat gheen man van sinen wiue. Ne sciede ‘dat geen man van zijn vrouw zal scheiden’ [1285; VMNW] en ‘eindigen’ in Sie quamen daer die pale scieden ‘zij kwamen waar de palen eindigden’ [1285; VMNW].
Os. scēthan (mnd. scheden, scheiden); ohd. sceidan (nhd. scheiden); ofri. skētha (nfri. skiede); oe. scēadan (ne. shed ‘vergieten, afwerpen’); got. skaidan; alle ‘scheiden’; < pgm. *skaiþan-/skaidan-. Het onderscheid tussen vormen met -þ- (onl., os., ohd., ofri.) en -d- (oe., got.) is ontstaan doordat de varianten van de grammatische wisseling die binnen één paradigma bestonden, zijn veralgemeend. In het Engels, Fries en Nederlands ontstond al vroeg een zwakke preteritumvorm (nnl. scheidde i.p.v. klankwettig *schied).
Verwant met: Latijn scire ‘weten’; Grieks skhízein ‘splijten, scheuren’; Sanskrit chyati ‘snijdt af’; Avestisch sā-, sya- ‘verdedigen’; Litouws šeivà ‘weefspoel’; Russisch cévka ‘id.’; Middeliers scaïlid ‘laat los’; bij de wortel pie. *sk(h)eh2i- ‘splijten’, met diverse dentaal- of andersoortige uitbreidingen. Pgm. *skaiþ- gaat terug op de nultrapafleiding pie. *skh2i-t- ‘snijden, scheiden’. Verwante dentaalafleidingen zijn Latijn scūtum; Oudpruisisch scaytan; Oudkerkslavisch štitŭ; Oudiers scíath; alle ‘schild’. Omstreden is of de wortel *skeh2i- op zijn beurt een uitbreiding is van de grondvorm *sek- ‘snijden’. Andere woorden die op dezelfde Indo-Europese wortel teruggaan zijn → ski, → schiften, → schip, → scheen en → schier.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheiden* [verbinding verbreken] {sche(i)den 1220-1240} oudsaksisch skethan, oudhoogduits sceidan, oudfries sketha, oudengels sceadan, gotisch skaidan; buiten het germ. latijn scindere, grieks schizein [splijten], schazein [opensnijden], litouws skiesti [scheiden], oudindisch chinatti [hij splijt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheiden ww. mnl. sceiden, scêden, os. skēthan, ohd. sceidan (nhd. scheiden), ofri. skētha, oe. scādan, got. skaidan (in het noordgerm. verloren gegaan, maar wel in afl. als skeið v. ‘weefkam, lepel’, skīð n. gekloofd stuk hout; sneeuwschoen’). — idg. wt. *skeit vgl. oiers scīath ‘schild’, osl. štitŭ naast opr. staytan (voor scaytan), lat. scutum ‘schild’ (IEW 921).

Van de idg. wt. *skei zijn de volgende afleidingen te noemen:
met dentaal
*skeit zie: scheiden
*skeid zie: schijten
met labiaal
*skeip zie: schijf
*skeib zie: schip, en schiften
met n zie: scheen
met r zie: schier 1 en schier 3.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheiden ww., dial. (Antw., brab.) schee(d)en, mnl. sceiden, scêden. Algemeen west- en oostgerm. is ’t ww. *skaiþanan, *skaiðanan: ohd. sceidan (nhd. scheiden), os. skêthan, ofri. skêtha, ags. sc(e)âdan, got. skaidan “scheiden”. Hiernaast moet met ’t oog op meng. schêden “scheiden” (eng. to shed “vergieten”, ags. *scêadan < *scæ̂dan), ndl. scheiden een wgerm. *skaidian aangenomen worden. Van een idg. basis sḱ(h)i-t-, sq(h)i-t-, waarvan ook ier. sciath, obg. štitŭ, opr. scaytan (te lezen voor staytan) “schild” en lat. scûtum “id.” (ook anders verklaarbaar) kunnen komen, eventueel ook (dan heeft naast sq(h)i-t- ook q(h)i-t- bestaan) obg. čĭtą, čisti “tellen, rekenen, lezen, eeren”, lit. skaitýti “tellen”. Idg. sḱ(h)i-t-, sq(h)i-t- komt van sḱ(h)i-, sq(h)i- (zie scheen) evenals ’t meer verbreide sḱ(h)i-d-, sq(h)i-d-, waarvan lat. scindo, gr. skhízō “ik splijt”, arm. c̟tim “ritze mich”, oi. chinátti (wortel chid-) “hij splijt” en lit. ské-dżiu “ik scheid”, skëdrà “spaander”. Voor de bet. van dit woord vgl. scheen en ndl. dial. (Aalst) schijd, ohd. scît (nhd. scheit), ofri. skîd, ags. scîd (eng. shide), on. skîð o. “blok gekloofd hout” van idg. sḱ(h)i-t-, sq(h)i-t-. Misschien mogen we voor alle vormen, ook voor de oi. en arm. wel van sq(h)- uitgaan. Zonder s wellicht hierbij nog obg. cěditi “zeven”, čistŭ (met s- opr. skīstan) “rein” (zie ook heet). Zie nog afscheid, bescheid, schede, schei, schijten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

scheiden. Het is niet nodig wegens meng. schêden ‘vergieten’ (dat niet dwingend een ags. *scæ̂dan veronderstelt) een wgerm. *skaidian aan te nemen. Ook ndl. scheiden is daartoe geen voldoende grond.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheiden o.w., Mnl. sceiden + Ags. scéađan (Eng. to shed): Ug. skaiđian; daarnevens dial. scheeden, Mnl. scheden, Os. scêthan + Ohd. sceidan (Mhd. scheiden, Nhd. scheiden), Ags. scádan, Ofri. skétha, Go. skaidan: Ug. skaiđan en skaiþan + Skr. wrt. chid, Gr. skhízein, Lat. scindere, Osl. čèditi: Idg. wrt. sqhei̯d = splijten: het Germ. echter berust op Idg. wrt. sqhei̯t.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjeie (ww.) scheiden; Aajdnederlands skethan <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2skei ww.
1. Uit mekaar hou of trek. 2. 'n Huwelik ontbind, uitmekaar gaan. 3. Vertrek.
Uit Ndl. scheiden (Mnl. sceiden, sceden). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm sky.
Ndl. scheiden naas verskeie Germ. verwante ook verwant aan Latyn scindere en Grieks schizein 'kloof, splits'.
D. scheiden (8ste eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Scheiden, van den Idg. wt. skhait (skhaid) = splijten, klooven; het bet. dus oorspr.: de deelen los, van elkander maken. In ’t Hgd. is Scheit nog een gekloofd hout; vgl. Scheiterhaufen = brandstapel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheiden ‘verbinding verbreken’ -> Zweeds skeda ‘verbinding verbreken, uit elkaar halen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † hèder ‘bemiddelen tussen de verkoper en de koper van een stuk vee’; Petjoh scheien, schejen ‘verbreken, uitscheiden, opzeggen, beëindigen; gescheiden’; Negerhollands skeid, skei, skee, skej ‘verbinding verbreken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheiden* verbinding verbreken 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1480. Bij 't scheiden van de markt leert men de kooplui kennen,

d.i. iemands ware karakter blijkt, wanneer men van hem gaat scheiden; eerst bij den afloop kan men iets goeds beoordeelen; als 't op deelen aankomt, leert men de menschen kennen. ‘Myns erachtens is dit ontleent van de koopers. 't Gaat met vriendschap en genoegen toe, zo lang die op de merkt koopen, en de verkoopers leveren. Maar onder in den zak vind men de rekening. Als de merkt eindigt, kraamen de verkoopers op, en eischen geld; doch dan is 'er dikwyls niemand 't huis’ (Tuinman I, 136). De oorspr. beteekenis schijnt te zijn, dat men bij het einde, het afloopen van de (jaar)markt, als het op het verrekenen aankomt, den waren aard van de kooplui, bijv. hun royaliteit, eerlijkheid of schraapzucht, eerst leert kennen. In de middeleeuwen immers bleven de kooplui tot aan het einde der jaarmarkt; dan werd verrekend en had men natuurlijk de meeste geschillen en chicanes. Vandaar bij overdracht: dikwijls leert men iemand pas kennen, wanneer men van hem moet scheiden, wanneer het er op aankomt; zijn goede of meestal slechte eigenschappen komen dan aan den dag, zijn ware inborst blijkt dan eerst. De zegswijze wordt o.a. aangetroffen bij Poirters, Mask. 169; in de klucht van Lichte Wigger, 11 v; Gew. Weeuw. III, 11; De Brune, Bank. I, 141: Aen 't op-breken van de marct, kent-men de koop-lien, dat aldaar gelijk gesteld wordt aan: aen 't lammeren ziet-men, wat oyen vol gheweest zijn; Adagia, 40: In 't scheyden van de merckt, kentmen de cooplieden, exitus acta probat; Willem Leevend IV, 113; Brieven v. Abr. Bl. I, 265 (by 't scheiden van de markt); Paffenrode, Hopm. Ulrich (anno 1711), p. 124: In 't scheyen van de markt, zoo kent men de koopluy; Harreb. I, 435; Nkr. 15 Nov. 1913, p. 2; Waasch Idiot. 207: op 't ende van de markt, eindelijk, op den duur; Antw. Idiot. 808: op 't leste van de mert, op het laatste oogenblik; op 't schêen van de mert, op 't einde van de rekening; schertsend ook: op 't schijten van de mert; Antw. Idiot. 1835: op 't ende van de mert leerde de kooplie kennen.

1976. De schapen van de bokken scheiden

wordt gebruikt in den zin van de meisjes van de jongens, de vrouwen van de mannen scheiden, ook wel in algemeenen zin de goeden van de kwaden scheiden. De zegswijze is ontleend aan Matth. XXV, 32-42. Vgl. o.a. Harreb. I, XLV: Men moet de schapen van de bokken scheiden; Amst. 69: 't Is precies als op den dag des oordeels, de schapen zitten rechts en de bokken links; Nkr. II, 1 Maart p. 4: Verder kon hij (minister Talma) uitstekend de bokken van de schapen scheiden, trad hij bij menige verkiezing als belhamel op; De Arbeid, 27 Mei 1914, p. 1 k. 3: De R.K. arbeiders mogen niet in aanraking komen met de socialistische. De schapen moeten van de bokken gescheiden blijven; vgl. ook Nkr. V, 29 April p. 5: Door deze list rekent men de schapen van de bokken te kunnen onderscheiden; Handelsblad, 1 Dec. 1920 (A), p. 1 k. 3; Afrik. skape van die bokke skei.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut