Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scheen - (voorzijde van het onderbeen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

scheen zn. ‘voorzijde van het onderbeen’
Mnl. schene [1240; Bern.], ‘houten of metalen strook’, zoals in ijseren scheenen in der kerren ‘ijzeren wielbanden aan de kar’ [1377-78; MNW], ook ‘pijp, hol been’ in Hamen ende scenen so maect hi in den mensche ‘kniegewrichten en scheenbenen maakt hij in de mens’ [1405; MNW], ‘houten of metalen strook’, zoals in ijseren scheenen in der kerren ‘ijzeren wielbanden aan de kar’ [1377-78; MNW] en ‘scheenplaat, beenharnas’ [1477; Teuth.], sceen [1485; MNW].
Os. scina ‘scheen, scheenplaat’ (mnd. schene, waaruit nzw. skena); ohd. skina ‘scheen’ (nhd. Schiene ‘spoorstaaf, spalk’); nfri. skine ‘scheen, ijzeren band op hout’; oe. scinu ‘scheen’ (ne. shin); nzw. skener ‘schaatsen’; < pgm. *skinō(n)-. In enkele Germaanse talen zijn ook vormen overgeleverd met voltrap in de stam en zonder n-achtervoegsel, namelijk mhd. schīe ‘paal van een omheining’; oe. scīa ‘scheen’ < pgm. *skīan-.
Naar de vorm het naast verwant, want met een n-achtervoegsel, zijn Lets šķiene ‘borstbeen van vogels’ en Middeliers scīan ‘mes’; < pie. *skeh2i- ‘splijten’. Zie voor andere verwante woorden onder → scheiden.
De oorspronkelijke, voor-Germaanse betekenis van het woord was wrsch. ‘smal, afgespleten stuk hout’. Deze heeft zich allengs uitgebreid tot andere smalle, rechte voorwerpen zoals botten in arm en been en stroken metaal. Indien men een lichaamsdeel bedoelt, wordt veelal de benaming daarvan toegevoegd, zo bijv. in Hoogduits Schienbein, Nederlands scheenbeen en Middelnederlands armschene.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scheen* [voorzijde van onderbeen] {schene, scheen [scheen, lange smalle strook metaal of hout, boombast] 1201-1250} oudhoogduits scina [scheen] (hoogduits Schiene [ijzeren band, rail]), oudengels scinu (engels shin); voor verwanten buiten het germ. vgl. de onder scheiden genoemde woorden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scheen znw. v., mnl. scēne v. ‘scheen, hol been, scheenplaat’ ook 16de eeuws ‘lange smalle strook hout of metaal’, mnd. schēne v. ‘scheen, scheenplaat, lange smalle lat’, ohd. scina, scena v. ‘scheen, strook metaal of hout, naald’ (nhd. schiene), oe. scinu v. ‘scheen’ (ne. shin) en verder ohd. irsceinen ‘breken’, afri. skēnia ‘breken’, oe. scænan ‘door even aanraken beschadigen’, on. skeina ‘licht verwonden’. Met n-formans naast mhd. scīe m.v. ‘paal van een heining’, oe. scīa m. ‘scheenbeen’. — Idg. wt. *skei ‘snijden, scheiden’, vgl. oi. chyáti ‘afsnijden’, gr. scháō, scházō ‘openritsen’, lat. scīre ‘weten’ (eigenl. ‘onderscheiden’), miers scīan ‘mes’, lett. škiene, škiens ‘borstbeen van een vogel, smalle lat’, russ. cěvjë ‘handvat, scheenbeen’ (IEW 919). — In de bet. van ‘vlechtwerk, korf’ (zoals ook mnl. schene) > ne. skein ‘gespleten wilgeteen voor fijn vlechtwerk’ (sedert 1837, vgl. Bense 380).

Opmerkelijk zijn nnoorw. skina, nzw. skena ‘scheef gaan’ en nnd. schīns ‘scheef’, die kunnen wijzen op een grondbet. ‘scheef snijden’. Met andere klinker schuin en nnoorw. dial. skøyna ‘scheef snijden’. — Voor deze klinker-wisseling zie J. deVries PBB 80, 1958, 26.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheen znw., mnl. scēne v. “scheen, hol been, scheenplaat (Teuth., ook 16.-eeuwsch), lange smalle strook metaal of hout”. = ohd. scina, scëna v. “scheen, strook metaal of hout, naald” (nhd. schiene), mnd. schēne v. “scheen, scheenplaat, lange smalle strook of lat (in verschillende speciale bett.)”, ags. scinu (eng. shin) v. “scheen”, germ. *skinô-. Hiernaast ags. (Erf. Corp.) scîa (m.? Geslacht en stamklasse staan niet vast) “scheen”, mhd. schîe v. m. “paal van een heining”. Dgl. formantische varianten komen bij bij II voor. Nog een andere variant is mnd. schēdel, ofri. skidel m. “een bot in den arm”, misschien nog vla. schier o. “langwerpig stuk hout” (*skî-ra-) en ook Kil. scheene, Goer. schêi, Kamp. schien “scheen”, tenzij deze vormen – naar been? – ê > dial. ie voor ē hebben en dan met scheen uit *skinô- identisch zijn. Alle met de oorspr. bet. “afgekloofd stuk, langwerpig stuk hout” van de basis sq(h)i-, sḱ(h)i- “afsnijden”, waarvan ook ier. scian “mes”, lat. scio “ik weet” (met dgl. bet.-ontwikkeling als ons onderscheiden), oi. chyáti “hij snijdt af”, uit ’t Germ. misschien nog ohd. scêri “sagax, acer ad investigandum”; zie schier. Vgl. nog scheiden, schiften.

scheenbeen znw. o. Sedert Kil., ’t vroeg-Mhd., Mnd., Ags.

[Aanvullingen en Verbeteringen] scheen. Adde: ags. scæ̂nan “breken, openbreken”, on. skeina “schrammen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scheen v. (scheenbeen, enz.), Mnl. scene = scheen, dunne huid, dunne plaat + Ohd. scina (Mhd. schine, Nhd. schien) = scheen, smalle plaat, Ags. scine (Eng. shin) + Lett. schkeene = borstbeen, van denz. wortel als scheiden. Uit het Germ. komt Fr. échine.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

skeen s.nw.
Voorkant van die onderbeen, tussen die enkel en die knie.
Uit Ndl. scheen (al Mnl.). In Mnl. het die woord ook 'lang smal strook metaal of hout, boombas' beteken. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Vgl. D. Schienbein (12de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

scheen ‘voorzijde van onderbeen; smal en plat stuk hout of metaal, wielband’ -> Engels skein ‘gespleten wilgenteen’; Deens skinne ‘spalk, beschermer, rails’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skinne ‘lange en smal stuk metaal; stalen balk met profiel; spalk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skena ‘rail, velg, spalk’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans échine ‘ruggengraat’ Frankisch; Petjoh schenen ‘met de schenen tegen elkaar schoppen’; Amerikaans-Engels dialect skein ‘smalle strook metaal aan de onderkant van een wielas ter bescherming’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scheen* voorzijde van onderbeen 1080 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

250. Een blauwe scheen krijgen of loopen.

Zooals bekend is, bezigt men deze uitdrukking, wanneer iemands huwelijksaanzoek wordt afgewezen. Zij wil eig. zeggen: zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar niet-slagen, en thans uitsluitend: afgewezen worden bij een huwelijksaanzoek. Roemer Visscher schreef reeds 't Loff van de blaeuwe scheen en Winschooten vermeldt, bl. 224: Sijn scheenen stooten, een blaauwe scheen loopen, of korter, een blaauwtje loopen: repulsam pati. Bij Hooft, Ged. I, 226, lezen wij:

 O mannelijke min, die voor genae de neenen

 Zoo wel neemt als de jaen; ghij loopt geen blauwe scheenen.Vgl. verder Brederoo I, 258; 460; Westerbaen II, 759; Poirters, Mask. 177; Hooft, Brieven I, 289: Een blauwtje halen; Van Effen, Spect. VI, 71; Halma, 77: Een blaauwe scheen, of een blaauwtje loopen, ergens vrijen daar 't mislukt, essuyer un refus en demandant une fille en mariage; Harreb. I, 59 b; Ndl. Wdb. II, 2793; 2806; XIV, 336. De Cock2, 135. Hiernaast in de 17de eeuw zijn scheen stooten, o.a. Brederoo II, 127, 3332. In Zuid-Nederland: een schenetuk krijgen, een tegenslag hebben, zijne onderneming mislukt zien (De Bo, 985 b); zich een buil loopen; iets tegen zijne klompen krijgen, iets niet krijgen (Rutten, 116 a); te Antw. 'nen blauwe of 'en blauw' scheen loopen of n'en vos hebben, op 'ne(n) vos rijde of loopen; in het fri. blau rinne, mei in blauwe blês, op in blauwe kjedde (rûn) thús komme, een blauwtje krijgen; blaujaen, een blauwte geven; in blautsje rinne, in blauwe skinne opdwaen of rinne, een blauwtje krijgen; mei de blauselpot omfalle, een blauwtje loopen; in Noord-Holland: blauw halen, een blauwtje loopen (Bouman, 12); in Drente: blauw geven; een jong blauw láoten loopen; hij hef blauw had (Bergsma, 53); te Deventer: 'n blonde schenne krîgen (Draaijer, 5); in Twente: op 'n oost loopen. Ook in het nd. Hie häwt sick eene blauwe schiene loupen (Jahrb. 38, 162).

904. Het op de heupen hebben (- krijgen),

d.w.z. in een opgewonden gemoedstoestand verkeeren of geraken, d.i. slecht gehumeurd zijn òf met een aanval van buitengewonen ijver iets doenMag men hierin eene herinnering zien aan de oudtestamentische gewoonte om op de heupen te kloppen als teeken van groote ontsteltenis en droefheid? Of moeten we denken aan verschijnselen bij een heuplijden?. De uitdr. staat opgegeven bij Harreb. I, 307 b; ook komt ze voor O.K. 166; 170; Uit één pen, 144; Sjof, 158; 176; 218; Kmz. 24; Jord. 195; 235; Speenhoff VII, 25; Heyermans, Ghetto, 11; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 236: De rooie huzaren waren er ook bij uitgenoodigd om te hooren wat de generaal van Den Haag vandaag op z'n heupen had. Vgl. de soortgelijke uitdr. 't op de zenuwen, op de borst hebben; het op den asem hebben (Waasch Idiot. 280); 't veur de nieren hebben, zwanger zijn (Molema, 545 a); het voor zijn speetjes (?) hebben = dronken zijn (Gew. Weuw. III, 69); het voor zijn kiezen krijgen (ald. bl. 39; ook Harreb. 399; B.B. 151); het voor de nieren hebben, dood gaan (Gallée, 30 b; Draaijer, 27 b); in Twente: 't veur de stikken krîgen, sterven; hij heeft het voor zijn ster (dronken; Nav. 1897; 59); 't op zijn ruiker(d) hebben, zich meer dan anders inspannen (Onze Volkstaal III 254; Menschenw. 312; 431; Lev. B. 95); 't voor zijn kriek hebben (ongesteld, dronken zijn; Boekenoogen, 514; evenzoo bij De Vries, 80, die het ook vermeldt van een vrouw: zwanger zijn); hij het et van dage op de butte, goedgehumeurd (Dr. Bl. II, 51); fri. hy het it for de krint (ongesteld); hy heeft het voor zijn maag (dood; Sewel, 470); hij heeft het hard voor zijn scheenen (kwaad te verantwoorden; Halma, 560); het voor zijn hart hebben (dronken of verliefd zijn; Ndl. Wdb. VI, 10); 't op 't lijf hebben, iets in den zin hebben (Gunnink, 162).

2493. Iemand het vuur na de schenen leggen,

d.i. het iemand zeer moeilijk maken, zoodat hij er zich niet meer uit zal weten te redden; het hem benauwd maken, hem in 't nauw brengen; mnl. het enen na(er) leggen of enen sijn vel verwarmen. ‘Het spreekwoord wordt niet alleen op den geldschuldige, maar ook op den leugenaar en den drogredenaar toegepast. Het zal wel oorspronkelijk zijn van de helsche pijnigingen, die men gebruikte, om iemand te doen bekennen, wat hem te laste werd gelegd, onverschillig of hij 't kwaad al of niet bedreven had, en dus tot de tijden der inquisitie behooren’; Harreb. II, 244 b. Zie verder V. Moerk. 255: Mijn man die leyt mijn het vuur soo na aende scheenen, dat ick altemet krancksinnich ben; Gew. Weeuw. II, 29: Ik zal hem het vuur nader aan zijn scheenen leggen, en die sprong zuur doen opbreeken; Rotgans, Boerenkermis (ed. 1851), bl. 21: Ik zal dat vuurtje jou meer aan de scheenen leggen; Van Effen, Spect. IV, 198: Mars, die de Koningin van Paphos 't vuur zo na aan de scheenen legt, dat die goedaardige sloof 't verzoek van haar Minnaar niet kan afslaan. Hiernaast kwam in de 17de eeuw voor iemand het vuur (of vier) na (of naar) leggen, o.a. in Vondel, Jos. in Egypte, vs. 935; Hooft, Brieven, 253; 473; Ged. I, 189; Brederoo III, 428, vs. 65; Pers, 667 b; bij Tuinman I, 56: Het vuur is hem aan de voeten gelegt, dit is, hy heeft het hard, hy moet veel uitstaan; Sewel, 698: Iemand het vuur heel na aan de scheenen leggen, to put one to his plugers (?) in arguing, to drive him to a non plus. Vgl. ook Zandstr. 62: Hoewel we hun den laatsten tijd 't vuur wat erg warm aangelegd hebben; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915, p. 11 k. 1: Ze legden hem het vuur nog al na aan z'n schenen; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.), p. 2 k. 4: Zelfs toen geruchten de ronde deden dat de Italiaansche regeering zijn bondgenooten het vuur aan de schenen begon te leggen, wisten de Duitsche kranten van den prins geen kwaad; Ndl. Wdb. XIV, 336. Vor Zuid-Nederland vgl. Joos, 112: iemand bij het vuur zetten, iemand zoodanig uitvragen, dat hij spreken moet; Waasch Idiot. 711: iemand bij 't vier zetten, in 't nauw brengen, foppen; Antw. Idiot. 1371: het vier op de teenen hebben, in 't nauw gebracht zijn; het vuur vóór de teenen leggen (vgl. Ndl. Wdb. VIII, 1431); fri. immen it fjûr oan 'e skinen (teannen) lizze, in 't nauw brengen, op de proef stellen; fr. mettre le feu sous le ventre à qqn, le presser vivement, l'exciter (Hatzf. 1050 a); hd. einem Feuer unter den Schwanz, auf (oder unter) den Frack machen, ihn zur Eile oder zum ernsten Angriff einer Sache antreiben (Wander I, 1006).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut