Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schede - (omhulsel; vagina)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schede zn. ‘omhulsel; vagina’
Mnl. scheide ‘omhulsel voor een zwaard of mes’ [1240; Bern.], scede ‘id.’ in met messen ... Die si trocken vte haerre scede ‘met messen die ze uit hun schede trokken’ [1290; VMNW]; vnnl. ook ‘vagina’ in De Scheede ... met soo veel Vaten door-spekt [1686; iWNT doorspekken].
Os. skēðia (mnd. schede); ohd. sceida (nhd. Scheide); ofri. -skēthe (nfri. skie); oe. scǣþ, scēaþ (ne. sheath); on. mv. skeiðir (nde. skede ‘schede, vagina’; naast on. ev. skeið ‘weefkam, houten lepel’, nzw. sked ‘lepel’); alle ‘(zwaard)schede’, < pgm. *skaiþijō-, *skaiþō, afgeleid van de wortel van → scheiden, met andere ablaut (ei) on. skiða ‘gespleten stuk hout; ski’ (nzw. skida ‘schede; ski’) < pgm. *skeidōn, zie → ski. Oorspr. bestond een zwaardschede uit twee houten, aaneengebonden platen (hierop wijst nog duidelijk de Oudnoordse meervoudsvorm); deze twee smalle, rechte stukken hout waren afgespleten van een stam of tak. In het Duits is daarnaast een betekenis ‘scheiding, grens’ tot ontwikkeling gekomen, bijv. in Wasserscheide ‘waterscheiding’, Oostenrijks-Duits Wegscheid(e) ‘splitsing, tweesprong’.
De overdrachtelijke betekenis ‘vagina’ is voor het eerst aangetroffen in het postuum uit het Latijn vertaalde werk van de arts Reinier de Graaf (1641-1673). Dit is een leenbetekenis van Neolatijn vagina ‘vagina’, overdrachtelijk gevormd bij de klassiek-Latijnse betekenis ‘(zwaard)schede’, zie → vagina.
Lit.: Van der Sijs 2004, 321

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schede*, schee [omhulsel] {sche(d)e, scheed, scheide 1201-1250} oudsaksisch skethia, oudhoogduits sceida, oudengels scæð, sceað, oudnoors skeidir (mv.). Van scheiden, vgl. voor de betekenis spleet van splijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schede znw. v. of schee, mnl. scêde, meestal sceide, os. skethia, ohd. sceida (nhd. scheide), ofri. skēthia, oe. scæð, sceað v. (ne. sheath), on. skeiðir v. mv. ‘schede’, vgl. ook on. skeið ‘weefkam, lepel’. — Verband met het ww. scheiden ligt voor de hand; men moet dus uitgaan van de gespleten latten, waaruit de schede samengesteld is; vandaar ook on. mv. skeioðir.

De grondvorm is germ. *skaiþ̄iō of *skaiþ̄i. — Om de nl. vorm met ê te verklaren is het niet nodig van een grondvorm *skaiþ̄ō uit te gaan; want het is eerder een dial. (vlaamse) bijvorm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scheede, schee znw., mnl. scêde, gew. sceide v. De ê-vorm is òf een vla. vorm = germ. *skaiþiô-, òf daarnaast heeft op ndl. gebied *skaiþô- bestaan. = ohd. sceida (nhd. scheide), os. skêthia, ags. scæ̂ð, scêað v. (eng. sheath), on. skeiðir v. mv. “scheede”, germ. *skaiþiô-, (*skaiþô-?), *skaiþi-. De formeel mogelijke combinatie met scheiden is ook semantisch niet onmogelijk (vgl. schelp). Of zouden we van een basis met de bet. “dekken, beschutten” moeten uitgaan evenals bij on. skauð v. “vagina” (zie huid)? Een goede combinatie is dan echter niet te vinden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schee(de v., Mnl. schede, Os. skêthia + Ohd. sceida (Mhd. scheide, Nhd. id.), Ags. scǽd (Eng. sheath), On. meerv. skeidir: van scheiden (z. schei: a 1. op -ôn en -jôn loopen dooreen ; voor de bet. vergel. spleet en Fr. fente.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schede ‘deel van vrouwelijk geslachtsorgaan’ (bet. van Latijn vagina)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schede ‘omhulsel’ -> Duits dialect Schede ‘plat stuk hout waar palen in gestopt worden bij het in elkaar zetten van houtdelen’; Negerhollands skeed ‘omhulsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schede* omhulsel 1240 [Bern.]

schede* vagina 1807 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut