Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schavelen - (opschuiven)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schavelen*, schavielen [opschuiven] {1635 als ‘maken dat men wegkomt’; de huidige betekenis 1710} zal zijn afgeleid van schaven, dat in het middelnl. ook betekende ‘zich wegpakken, zich uit de voeten maken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schavélen, schavielen ww. ‘opschuiven, (zuidnl.) in orde brengen, (zeeterm) ‘ruimen van de wind’ ook ‘de zeilen naar de wind richten’, eerst 1681 bij Winschooten: schaavielen ‘ruim baan maken, alles opruimen en derhalven werd het ook van de wind gezegd, als die begint goed te waaien’. — Uit de bet. ‘door voortdurende wrijving slijten (van een touw)’ verband met schaven af te leiden, schijnt niet wel mogelijk; de oudere bet. van ‘opschuiven’ doet vermoeden, dat wij een nevenvorm van schuiven mogen aannemen, waarbij men dan zal moeten denken aan de affectieve klinkervarianten die meermaals buiten het verband der ablautsklassen optreden (zie J. de Vries PBB 80, 1958, 1-32).

Vercoullie Med. Vla. AW 1922, 1135 wil het ww. afleiden van het znw. schaveel, waarvan in het zuidnl. de bet. is ‘slordig vrouwspersoon’ en ‘berisping’, maar dat volgens hem eigenlijk zou hebben betekend ‘haspel, hasp’ en dat hij daarom beschouwt als ontlening < fra. écheveau ‘haspel’ (< gallorom. *scapellum). Door het ontbreken van de bet. ‘haspel’ zeer onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schaveelen, schavielen (opschuiven; ruimen, van den wind; slijten; richten, de zeilen. Antw. schaveelen = “regelen, stelen, schimpen”), nog niet bij Kil.; Winschooten, Seeman, 1681: “schaavielen, ruim baan maaken, alles opruimen: en derhalven werd het ook van de wind gesegt, als die begint goed te waajen”. Wellicht van schaven: vgl. de bet. “slijten” in dat touw begint te schaveelen. Minder wsch. zouden wij met ’t oog op de bet. “opschuiven” (achterh. schavîlen = “iets langzaam voortbewegen, ruim baan maken”) er een afl. van schuiven met vóór den toon door vocaalverzwakking ontstane a in kunnen zien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schaveelen o.w., : z. schavielen.

schavielen ono.w., denom. van schaviel, schaveel, uit Fr. écheveau = 1. (vroeger) haspel, 2. (vroeger en nu nog) hasp, streng; dus afhaspelen, ontwarren, schikken, ruimte maken, wegkapen, tot een klos worden of losschuren. Schaveel is alleen dial. te vinden met overdr. bet. van slordig aangekleed wijf en berisping.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schavelen ‘opschuiven’ -> Duits schamfielen ‘touwen door wrijving beschadigen’; Duits dialect † schavelen, schawellen ‘opschuiven; zich inschikkelijk betonen; moeilijk werken’; Deens skamfile ‘(touwen door wrijving) beschadigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skamfile ‘touwen door wrijving beschadigen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut