Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schat - (waardevol bezit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schat zn. ‘waardevol bezit’
Onl. skat ‘waardevol bezit’ in de plaatsnaam Scatacer ‘Schatakker (Oost-Vlaanderen)’ [ca. 1185; Gysseling 1960]; mnl. sc(h)at ‘belasting, som geld, schat’ [1240; Bern.].
Os. skat (mnd. schat); ohd. scaz (nhd. Schatz); oe. sceatt; ofri. sket, skat; on. skattr (nzw. skatt); got. skatts; alle ‘waardevol bezit, geld, vermogen, vee, rijkdom e.d.’, < pgm. *skatta-. Oudfrans escat ‘schat’ [eind 12e eeuw; FEW] is ontleend aan het Oudnederlands. De oorspr. Germaanse betekenis is wrsch. ‘vee’. Deze is ontleend door de Slavische talen: Oudkerkslavisch skotŭ ‘vee’ (Russisch skot).
Verdere herkomst onbekend. Er bestaan geen verwante woorden in andere talen. Mogelijk is het woord ontleend aan een onbekende voor-Indo-Europese taal.
Voor een vergelijkbare betekenisuitbreiding van ‘vee’ naar ‘waardevol bezit, rijkdom’ bij andere woorden, zie → pecuniair en → vee.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schat* [waardevol bezit] {1201-1250} oudsaksisch skat, oudhoogduits scaz, oudfries skett [schat, geld, (maar ook) vee], oudengels sceaatt, oudslavisch skotŭ [vee], oudnoors skattr, gotisch skatts; vgl. in verband met de betekenis ‘vee’ pecuniën.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schat znw. m., mnl. scat m. ‘geld, geldsom, bepaalde geldswaarde, schat, schatkamer, kostbaarheid, schatting’, os. skat m. ‘geld, geldstuk, vermogen’, ohd. scaz m. ‘geldstuk, geld, vermogen’, ofri. sket m. ‘schat, geld, vee, rundvee’, oe. sceatt m. ‘geld, vermogen, geldstuk, schatting’, on. skattr m. ‘geld, rijkdom, schatting’, got. skatts m. ‘geldstuk, geld’.

Het russ. leenwoord skotŭ betekent ‘vee’ en dat maakt het waarschijnlijk, dat wij evenals bij lat. pecunia van een bet. ‘vee’ als betaalmiddel of waardebepaling moeten uitgaan. Daarom neemt Wood MPh 18, 1920, 86 als grondvorm aan idg. *skhǝtu̯o eig. het met vel bedekte’ aan; een zuivere constructie. — E. Schroder KZ 48, 1918, 266 wijst op ohd. quaz en swaz en besluit tot een grondvorm *skwattaz, waarmee ook niets aan te vangen is; ook zou dan on. skattr evenals got. skatts onverklaard blijven. — Holthausen PBB 66, 1942, 267 wil aanknopen aan de woordgroep van lat. scatēre ‘opborrelen’, wat ook geheel onbevredigend is. — Vertwijfeld is de uitweg van Marstrander SVA Oslo 1924 Nr. 9, 13, die het woord wil afleiden uit de gallische volksnaam der Scottoi. — Misschien is het een zwerfwoord uit het Oosten, daar een bet. ‘schatting’ een ongermaans begrip is. — Stender-Petersen, Lehnwortkunde 1927, 311 vlgg. knoopt aan gr. ktāsthai ‘verwerven’ aan en gaat uit van een nultrap *(s)kt- naast een voltrap *skot, waarvan dan *skot-nó ‘bezit, vermogen, vee’. Het grondbegrip schijnt mij ook hier te bleek toe.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schat znw., mnl. scat (tt) m. “geld, geldsom, een bepaalde geldswaarde, schat, schatkamer, kostbaarheid, schatting”. = ohd. scaz m. “een bepaald geldstuk, geld, vermogen” (nhd. schatz), os. skat m. “geld, geldstuk, vermogen”, ofri. sket m. “schat, geld, vee, rundvee”, ags. sceatt m. “geld, vermogen, een bepaald geldstukje, schatting”, on. skattr m. “geld, rijkdom, schatting”, got. skatts m. “geldstuk, geld”. De oorsprong is onbekend. De oorspr. bet. kan “bezit, geld”, event. “geldstuk” zijn geweest — dan is een grondvorm idg. sq(h)od-nó- “afgeslagen stukje metaal”, bij gr. skedánnūmi enz. (zie schateren), mogelijk —, maar veeleer was ze “vee”. Dat de bet. “vee” oudtijds meer verbreid is geweest dan in de historische periode der germ. talen, wordt waarschijnlijk gemaakt door ’t ontleende obg., alg.-slav. skotŭ “vee, huisdier”, in sommige talen ook “geld”. Voor de bet. vgl. vee.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schat. Op grond van ohd. (gl.) quaz ‘geldstuk’, mhd. swaz ‘stater’ tot een grondvorm germ. *skwatta- te besluiten (Edw. Schröder KZ. 48, 271 vlgg.), waarop dan ook de sk-vormen zouden te herleiden zijn, is niet geraden. Trouwens ook met deze reconstructie is geen behoorlijke verbinding buiten het Germ. te verkrijgen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schat m., Mnl. scat, Os. skat + Ohd. scaz (Mhd. Schaz, Nhd. schatz), Ags. skeat, Ofri. sket, On. skattr (Zw. skatt, De. skat), Gs. skats: oorspr. onbek.; uit Germ. , Osl. skotŭ, Ru. skot', Po. skot = vee; onder de Germ. vormen heeft alleen Ofri. sket de bet. vee.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjat (zn.) liefste, schat; Vreugmiddelnederlands skat <1185>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schat: mijn schat, (i.h.b. gebr. door vrouwen), vrij algemene, gemeenzame aanspreektitel. Ik heb je lang niet gezien, Lena. Je bent duur* hoor, mijn schat. Hoe gaat het dan? (Helman 1954a: 10). - Etym.: Vgl. E ’my dear’, dat evenzo gebr. wordt; E dear bet. als bn. ’duur’ of ’kostbaar’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schat, bet. oorspr. geld (in ’t Slavisch skotu = vee, daar ’t vee vroeger als betaalmiddel of maatstaf van rijkdom gold); vgl. ’t Got. skatts = geldstuk, geld.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schat ‘waardevol bezit’ -> Engels † scat ‘waardevol bezit’; Negerhollands skat ‘waardevol bezit’; Papiaments skat ‘waardevol bezit’.

schat ‘liefste’ -> Negerhollands skat ‘liefste’; Sranantongo skat ‘liefje (alleen tussen vrouwen)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schat* waardevol bezit 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal