Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

scharminkel - (zeer mager mens of dier)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Voor aap staan

Apen hebben in de Nederlandse taal een slechte reputatie. Brutale jongens zijn ‘snotapen’ of ‘apen van jongens’. Niemand wil graag ‘voor aap staan’, ‘een gezicht als een aap hebben’, of als ‘aangeklede aap’ of ‘baardaap’ worden betiteld. Die veelheid aan minder vleiende uitdrukkingen is ontstaan doordat apen werden beschouwd als een lelijker en onbeschaafd evenbeeld van de mens’.

Apenliefde
Het woord aap wordt al gebezigd in het dertiende-eeuwse dierenepos Van den vos Reynaerde, waarin “Mertijn die aep” de oom van Reynaert is. Het woord is Germaans, het komt ook voor in het Duits (Affe) en Engels (ape). Waar het woord uiteindelijk vandaan komt weten we niet, maar omdat apen in deze contreien niet inheems zijn, zal het woord al vroeg uit een andere taal zijn geleend.
In Van den vos Reynaerde treedt ook de “apinne Rukenau” op, de tante van Reynaert. Zij is letterlijk apetrots op haar kinderen, en daarvan weet de sluwe vos handig gebruik te maken; hij vleit haar met de woorden “Hoe lieflic sijn si ende hoe scone!” Begin zeventiende eeuw wordt de uitdrukking ‘Aap, wat heb je mooie jongen’ een spottende karakterisering voor iemand die zich door vleien uit een moeilijke situatie redt.
In vroeger eeuwen geloofde men dat apen zó veel van hun jongen hielden dat ze die dooddrukten. Jacob Cats rijmde in 1618: “Een aap uit al te groote min, die perst zijn jong de lenden in”. Van deze misvatting komt het woord apenliefde: een blinde liefde die meer kwaad dan goed doet. Terwijl apenliefde al sinds 1779 wordt gebruikt, is apetrots amper vijftig jaar oud. Namen van dieren worden vaker als versterking gebruikt, denk aan beresterk.

Scharminkel
Een iets jongere, maar inmiddels weer verouderde benaming voor ‘aap’ is siminkel of s(ch)eminkel. Het is een verkleinwoord van simme, dat ontleend is aan het Latijnse simia en ook ‘aap’ betekende. Simia is afgeleid van het Latijnse woord simus (‘stompneuzig’, een Grieks leenwoord).
In een grafelijke rekening van 1399 is sprake van “Enen speelman die mit eenre scemynkel speelde voir minen here”, dus: een artiest die met een aap een act opvoerde voor de graaf. In de Lage Landen dienden apen destijds als vermaak voor de adel. Net als aap kreeg het woord scherminkel of scharminkel een negatieve lading: het werd als scheldwoord gebruikt, en in de loop van de zeventiende eeuw ging men er een broodmager mens of dier mee aanduiden. Alleen die afgeleide betekenis heeft de tand des tijds doorstaan.

Tekenaap
Op 10 oktober 1795 plaatste vendumeester C. van den Dries in de Rotterdamsche Courant een advertentie waarin hij aankondigde dat hij “heden morgen [begint] met het verkopen der schilderyen en liefhebberyen, waaronder [...] een fraaye Engelsche pantograph of Teekenaap”. Een tekenaap is een toestel om een tekening op een andere schaal over te brengen. Waarom wordt dat zo genoemd? Is het zo’n lelijk werktuig? Nee, de naam verwijst naar het feit dat dankzij de tekenaap de oorspronkelijke tekening makkelijk kan worden nagebootst oftewel ‘nageaapt’.
Het toestel is in 1603 uitgevonden door de Duitse jezuïet en geleerde Christoph Steiner, die er een boek over schreef: Pantographice, seu Ars Delineandi res quaslibet per parallelogrammum lineare ‘de kunst van het overtekenen met behulp van een parallellogram’ – van deze titel is de naam van het werktuig afgeleid. Letterlijk betekent pantograaf ‘alles-tekenaar’. Terwijl het Frans en Engels alleen het geleerde woord pantograaf kennen, prefereert het Nederlands de inheemse benaming tekenaap. Ook het Duits kent een eigen woord: Storchschnabel, letterlijk ‘ooievaarssnavel’.

Apenstaartje
De jongste loot aan de apenstam is het apenstaartje, dat in ieder e-mailadres voorkomt. Dit teken, in het Engels at of at sign, is een oude Italiaanse koopmansafkorting voor amfora, een inhoudsmaat van 26 liter. In het Engels verschoof de betekenis naar ‘at (the cost of)’, overeenkomend met het Latijnse ad en het Franse à.
In 1971 werd het nog maar weinig gebruikte symbool door de Amerikaanse programmeur Ray Tomlinson ingevoerd in de voorloper van internet. Internet en e-mail deden in 1991 hun intrede en vonden vanaf 1995 op grote schaal ingang. In kranten uit dat jaar moest nog worden uitgelegd: “Een e-mailadres begint met de naam – of een afkorting daarvan. Daarna het zogenaamde apestaartje (@) en daarachter de naam van de Internet-aanbieder, gevolgd de landencode, voor Nederland is dat nl.”
Vanaf dat moment was het apenstaartje voor iedere computergebruiker een begrip. De verwijzing naar een aap is in dit verband niet uniek voor het Nederlands: hij komt ook voor in het Afrikaans (aapstert) en het Duits: Klammeraffe (‘slingeraap’), ook wel Affenschwanz. Vroeger kenden ook Engelstalige landen de benaming monkey tail of ape tail, en gezien het Angelsaksische overwicht in de computerbusiness, zal dat wel de oorspronkelijke bron van de naam zijn.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Voor aap staan’, in: Onze Taal 10, 286]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

scharminkel zn. ‘zeer mager mens of dier’
Mnl. Simincle ‘apen’ [1285; VMNW], siminkel ‘aap’ [1287; VMNW], tscimminkel ‘de aap’ [1340-60; MNW-R], scheminkelen ‘apen’ [1350-1400; MNW-P]; vnnl. tscemynckel ‘de duivel’ [1512; WNT], schereminckel ‘broodmager mens’ [1621; WNT], Scherminkel ‘id.’ [1640; WNT vel I]; nnl. vermagerde scharminkels [1791; WNT vermageren].
Mnl. siminkel ‘aap’ is een verkleinwoord bij simme ‘aap’ [1240; Bern.], dat ontleend is aan Latijn simia, simius ‘aap’ (Frans singe), een afleiding van simus ‘stompneuzig’, ontleend aan Grieks sīmós ‘id.’, verdere herkomst onbekend. Het verkleiningsachtervoegsel -inkel komt verder in het Middelnederlands niet voor, maar het Oudhoogduits kent enkele tientallen woorden met -inklīn en iklīn voor kleine dieren of voor de duivel en het Oudnederlands heeft een geïsoleerd geval in nessiklinon ‘kleine wormen’ [891-900; CG II-1, 49]. Wrsch. gaat het om een stapeling van verkleiningsachtervoegsels. Het woord kan ook rechtstreeks zijn ontleend aan een vulgair-Latijns verkleinwoord *simiunculus.
Waals-Franse dialecten kennen van oudsher nevenvormen met sc- (FEW), wat waarschijnlijk de Nederlandse anlaut sch- verklaart. De r is een epenthetische r, zoals vaak in Franse leenwoorden voorkomt, ook in bijv. karbies.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

scharminkel [zeer mager mens of dier] {schereminckel 1621} verbasterd uit middelnederlands scaminkel, scheminkel [aap] {1285} < laat-latijn ∗simiuncula [aapje], verkleiningsvorm van simia [aap (ook als scheldwoord)], verwant met grieks simos [met naar binnen gebogen neusbeen, met stompe neus].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

scharminkel, scherminkel znw. o.m. ‘mager mens of dier’, sedert de 17de eeuw, is met invoeging van r ontstaan uit mnl. sceminkel, ook scominkel, sciminkel, vervormd uit ouder siminkel, seminkel, simminkel, ‘aap’, dat wel op lat. simiunculus ‘aapje’ zal teruggaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

scharminkel, scherminkel znw., sedert de 17. eeuw (1695 reeds een mageren scherminkel). Met jongere r (vgl. kerstanje naast kastanje) uit Kil., mnl. scheminkel, vervormd uit ouder mnl. si(m)minkel o. v. m. “aap”. Ongetwijfeld een afl. van lat. sîmia “aap”. Of wij echter van een lat. *sîmiuncula moeten uitgaan, is onzeker: ook zou si(m)minkel een ndl. afl. van ’t uit sîmia ontleende mnl. simme v. “aap” (nog zuidndl. sim) kunnen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

scharminkel m., Mnl. sche(r)minkel, simminkel, uit Lat. simiunculum (-us), dimin. van Lat. simius = aap, van simus, Gr. simós = platneuzig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

scharbonkel, zn.: mismaakt mens, bultenaar. Contaminatie van scharminkel en karbonkel.

scherminkel, zn.: lelijke, magere vrouw. Ook Vlaams en Brabants voor ‘lelijk mens, oud wijf’. Met epenthetische r < Mnl. scheminkel, scaminkel, scominkel, sim(m)inkel ‘aap’, Vnnl. schemijnckel ‘singe’ (Lambrecht), 1599 scheminckel ‘aap’ (Kiliaan). Wellicht < Lat. simiunculus ‘aapje’, dim. van Lat. simia ‘aap’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

scharbakel, zn.: brutale vrouw. Verhaspeling van scharminkel.

scherminkel, scharminkel, schraminkel, zn.: oud mager vrouwtje. Ook Vlaams voor ‘lelijk mens, oud wijf’. Met epenthetische r < Mnl. scheminkel, scaminkel, scominkel, sim(m)inkel ‘aap’, Vnnl. schemijnckel ‘singe’ (Lambrecht), 1568 noyt en spranck scomminckel verren spronck, Gent (LC), 1599 scheminckel ‘aap’ (Kiliaan). Wellicht < Lat. simiunculus ‘aapje’, dim. van Lat. simia ‘aap’. Afl. scherminkelen, schraminkelen ‘ketelmuziek maken, charivari houden’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

schaminkel (G), scharminkel (E, G), sche(r)minkel, schraminkel, schrominkel (G), zn. o.: lelijk mens, oud wijf. O.m. met epenthetische r < Mnl. scheminkel, scaminkel, scominkel, sim(m)inkel 'aap', Vnnl. schemijnckel 'singe' (Lambrecht), 1568 noyt en spranck scomminckel verren spronck, Gent (LC), scheminckel 'aap' (Kiliaan). Wellicht < Lat. simiunculus 'aapje', dim. van Lat. simia 'aap'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skarminkel s.nw.
Onbetroubare persoon, skurk.
Uit Ndl. scharminkel (1643) 'bose gees, duiwel, spook'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

scharmanteko (K), zn. m.: eigenaardige kerel, vreemde kerel. Contaminatie van scharminkel ‘aap’ en marteko ‘aap’ (zie i.v.). I.v. marte, merte ‘aap’ geeft Kiliaan zowel mantichora als martichora.

scharmik, schormik (DB), schermik (K), zn. o.: lelijke magere vrouw, spookachtige verschijning; klein, vlug en listig mens. Wsch. verkort < scharminkel, scherminkel.

scharminkel, sche(r)minkel, schominkel, zn. o.: aap; lelijke magere vrouw, heksachtige vrouw, lelijk geklede vrouw. Vaak met epenthetische r < Mnl. scheminkel, scaminkel, scominkel, sim(m)inkel ‘aap’, Vroegnnl. schemijnckel ‘singe’ (Lambrecht), scheminckel ‘simius, simia’ (Kiliaan). Wellicht < Lat. simiunculus ‘aapje’, dim. van Lat. simia ‘aap’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

scharminkel: lang en mager persoon. Kan ook gezegd worden van een dier (bijvoorbeeld een mager paard). Het woord is een verbastering van het Middelnederlandse schaminkel (aap). Dit scheldwoord werd al opgetekend in de zeventiende eeuw.

Klein scharminkel dat je bent, as jij een beetje armoedig gezicht wou zette, kon je een hoop cente ophale. (Chr. van Abkoude, Kruimeltje, 1923)
Schei je uit met je getreiter, scharminkel! Begin je nou toch weer! (Herman Heijermans, Droomkoninkje, 1924)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

scharminkel (van Latijn simiuncula)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Scharminkel, ook scherminkel, voor mageren, oorsp. vreemden persoon. Uit Schimminkel, van ’t lat. simiuncula, verkleinw. v. simia = aap, fra. singe. De r is ingevoegd evenals in kortelas, fra. coutelas, karpoets naast kapoets, karstengen naast kastanjes, fermielje naast familie, vernijn naast venijn (vernijnde slangen, Cats 2, 216a). De ch is er misschien ingekomen door volksetymologie (schaar, scherp, scheren), zooals dan ook zelfs de vorm scharewinkel voorkomt. Coster 522 heeft “Loose scheminkel.”

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

scharminkel zeer mager mens of dier 1621 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1983. Scharminkel (Scherminkel),

vooral magere scharminkel of scherminkel, een sedert de 17de eeuwZie Plaiz. Kyv. (anno 1695), bl. 5: Een mageren scherminkel. voorkomende scheldnaam voor iemand, die zeer mager is. Men meent het voor eene volksetymologische verbastering te moeten houden van het mnl. siminkel, simminkel, scimminkel, bij Kil. scheminkel, verkleinwoord van simme, lat. simia, d.i. aap, spook, geraamteZie Mnl. Wdb. VII, 422; Franck-v. Wijk, 557; Vercoullie, 249; Taal en Letteren, 1894, bl. 184; Ndl. Wdb. XIV, 285; Kluge, Nominale Stammbildungslehre, 2de dr. § 63; Deutsche Wortf. IX, 270-282; X, 253-256.. Voor Zuid-Nederland vergelijke men De Bo, 988; Schuermans, Bijv. 285: schermik, scharmik, schormik; schominkel, schaminkel, scheminkel, scherminkel, aap (De Bo, 1001); Antw. Idiot. 1073: scherminkel, schraminkel, oud en mager wijfken; Tuerlinckx, 566: schraminkel, mank, sukkelachtig.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal