Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schapraai - (pottenkast)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schapraai* [pottenkast] {schaprede, scaprade 1301-1310} oudsaksisch skapereda, middelnederduits schaprade, oudhoogduits scaffareita (de a in rade is ingveoons), van schap [plank] + rede, van bereid, gereed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schapraai znw. v. (zuidnl.) ‘plankenkast, provisiekast’, mnl. scaprâde, scaeprâde v. ‘pottenrek, pottenkast, provisiekast’, mnd. schaprāde ‘keukenkast’, een inguaeoonse vorm met â voor germ. ai, vgl. mnl. scaprêde, os. skaperēda, ohd. scaffareita v. ‘pottenrek’. — Samengesteld van schap 1 in de oude bet. van ‘pot’ en van germ. *raiþō, waarvoor zie: bereiden. — Dus ‘plaats waar de potten bereid staan’, vgl. nog on. reiða v. ‘uitrusting, verpleging’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schapraai, schaprade (etenskast), mnl. scaprâde, scaeprâde v. “pottenrek, pottenkast, etenskast”. Een fri. vorm (evenzoo mnd. schaprâde “keukenkast”) met â uit ai naast – zeldzaam – mnl. scaprêde v. “id.”. = ohd. scaffareita, os. skaperêda v. “pottenrek”. ’t Tweede lid hoort bij bereiden, ’t eerste wordt bij schepel besproken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

schapraai, schaprade. Het â-vocalisme van het tweede lid is veiliger “ingwaeoons” te noemen: NB. nieuw-fri. skapraei, blijkbaar een jonge ontl. uit het Holl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schapraai v., met Fri. aa voor ê, nevens ouder schaprei, Os. skaperêda + Ohd. scaffareita (Mhd. schafreite) = rek, kast: van schap 1 en *reide (z. gerei). Hieruit Fr. écofrai.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schapraai, schrapo, schropi(e), srepo, zn.: etenskast, provisiekast. Mnl. scapra(de), schaprede ‘etenskast, spinde’, Vnnl. 1562 schapra ‘armaire à mettre viande’ (Lambrecht), 1599 schap-raede ‘armarium’ (Kiliaan). Ohd. scaffareita, Mhd. schaf-reite ‘keukenkast’, Mnd. schaprade, Os. scapereda. Samenst. van schap ‘plank’, oorspr. ‘vat’, en rede/rade van reden ‘gereedmaken, bereiden’, in bereid, gereed, gerei. De varianten met schr- door metathesis (Hand. KCTD 1934, 42).

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

schapraai zn.: etenskast, provisiekast, buffet. Mnl. schaprede, schaprade ‘rek of kast voor vaatwerk, etenskast, kast’, Vnnl. schapra ‘armaire à mettre viande (kast voor vlees)’ (Lambrecht), schapraede, schapreede ‘kast’ (Kiliaan). Os. skapereda, Mnd. schaprade, Ohd. scaffareita, Mhd. schafreite ‘keukenkast’. Samenst. van schap (zie schabbe) en rede < bereid, gereed.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schapraai provisiekast (Zuid-Nederland). = mnl. scaprade, scaprêde, ohgd. scaffareita ‘pottenrek’. Ss. uit schap ↑ in een oude betekenis ‘vat’ (vgl. ofri. skep ‘vat) en de stam van (ge)reed. De oorspr. bet. is dus ‘plaats waar potten gereed staan’.
HCTD VIII 608, NEW 608.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schapraai ‘pottenkast’ -> Italiaans scarabattolo ‘vitrine’ ; Spaans escaparate ‘soort kast met glazen deurtjes om breekbare spulletjes in te bewaren; winkelruit, vitrine’; Portugees escaparate ‘glazen deksel, vitrine’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

86. Daar loopt iets van St.-Anna (of St. Anneke) onder.

St.-Anna (de moeder van Maria, de moeder Gods) werd op zeer hoogen leeftijd buiten alle verwachting nog met vruchtbaarheid gezegend. Vandaar dat zij door het volk werd en nog wordt aangeroepen en vereerd als de voorspraak van alle onvruchtbaren, en als patrones van alle zwangere vrouwen. Het beste bewijs hiervoor vindt men in de verklaring van deze Heilige zelve in hare revelatie aan de H. Brigitta: Ego sum mater omnium coniugatarum, quae sunt post legem, quia Deus voluit de mea generatione nasci, d.w.z. ‘Ik ben de moeder van alle gehuwde vrouwen onder het nieuwe verbond, dewijl God-zelf uit mijn geslacht heeft willen geboren worden’, en in het tegelijkertijd aan Brigitta aanbevolene gebed: Propter preces Annae miserere omnibus qui in coniugio sunt, ut frucificent Deo, d.i. Ontferm u, om der voorbeden van Anna wille, over allen die in den huwelijken staat zijn, opdat zij Gode vruchten dragen.

Dr. A. Beets, aan wiens artikel over deze zegswijze in Taal en Letteren IV, bl. 60-64 ik dit alles ontleen, verklaart het verband tusschen het bovenstaande en de zegswijze daar loopt iets van St.-Anna onder als volgt: ‘Wanneer men nu van, of met betrekking tot eene bruid of jongedochter zeide, dat er iets van St.-Anna onderliep, dan wilde men daarmede onder verbloeming te kennen geven, dat zij zich niet meer met volle gerustheid onder het patronaat van de Maagd der maagden kon stellen, maar dat men haar (schertsenderwijze gesproken) verdacht van alreeds met Sint-Anna, de patrones der zwangeren, in betrekking te hebben gestaan, bij haar ter beevaart te zijn geweest. Het iets van Sint-Anna doelde dus op de vrucht, die zij reeds droeg of verdacht werd te dragen. Toen allengs de aanvankelijk alleen met betrekking tot voorbarige bruiden of ongehuwde vrouwen ‘daar een steekje aan los was’, toegepaste zegswijze, waarschijnlijk vooral bij de protestanten, niet meer in hare eigenlijke beteekenis gevoeld werd, vond zij ruimer toepassing en wel voornamelijk op met de goede zeden in strijd zijnde gezegden, verhalen, enz. en eindelijk op alles, waar - om welke reden dan ook - iets ‘niet pluis’, ‘niet in den haak’, of zelfs maar iets ‘geks’ aan was.Indien dit niet zoo ware en de bet iets geks de oudste was, dan zou men kunnen denken aan l'asile de Sainte-Anne, het krankzinnigengesticht. Voor bewijzen van het aanroepen van St.-Anna door onvruchtbare of zwangere vrouwen zie men De Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 59-61; Taal en Letteren IV, 62, en de aldaar aangehaalde litteratuur; en voor plaatsen, waar de zegswijze wordt aangetroffen bl. 64. Vgl. ook Navorscher XXXVI, 612-613; XLV, 722Eene bestrijding van het aldaar beweerde vindt men in de Studiën op Godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied, dl. XLV, Utrecht, P.W. v. d Weijer, 1895.. In het Nederduitsch zegt men: dar löpt van Sünt-Annen wat mit unner (Eckart, 14; Wander I, 95); Korrespbl. XXXIII, 66; Jahrb. 38, 155; fri. dêr rint hwet fen Sint Anne onderIn het Friesch kent men ook hy hat to Sint-Anne wêst, hij is dronken (in St.-Anna brouwde men bier)..

In N. Taalgids, XVII, 320 wijst Dr. H.H. Knippenberg op een andere legende, verband houdend met de zwanenverhalen, die eerder aanleiding zal hebben gegeven tot de spreekwijze: ‘Sainte Anne nâit de la cuisse de l'empereur Fanouel qui, honteux de cette naissance, ordonne qu'on porte l'enfant au fond des bois et qu'on la tue. Une colombe descend du ciel. Anne est épargnée; elle est déposée dans un nid de jeunes cygnes et nourrie par un cerf. En allant à la chasse, son père la retrouve’.

In Zuid-Nederland kent men ook de zegswijze: zij zit al (of zij blijft nog) in St.-Anna's schapraai (etenskast, huishouding), dat gezegd wordt van een oude jongejuffrouw, die weinig kans heeft om te trouwen en kinderen te krijgen; bij vergelijking met Sint-Anna, die na twintig jaar onvruchtbaar te zijn geweest, eerst op gevorderden ouderdom hare dochter baarde. Zie het Ndl. Wdb. II, 509; Schuermans, Bijv. 13; Antw. Idiot. 1063; Archief III, 379; Waasch Idiot. 77 b; Volkskunde VII, 29-35; De Cock2 146-147 en Noord en Zuid XVIII, 167-172, waar wordt medegedeeld, dat men in den noord-westelijken uithoek van Braband, te Merchtem o.a. van de oude vrijsters zegt, dat ze in St.-Anna's kapelleken zitten, waaraan nog kan worden toegevoegd, wat Joos mededeelt, bl. 102: Zij zit op Sinte Anna's (of Annekens) zolder, zij is te oud om nog te trouwen; op Sint-Anna-bankske zitten, syn. van in 't schipken van Sint-Annuit zitten of vèren (Antw. Idiot. 105; 1331), en het te Aken gebruikelijke In sanct Anna Schaaf (kleerkast) kommen (Wander IV, 69).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal