Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schappelijk - (redelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schappelijk bn. ‘redelijk’
Mnl. schappelijc ‘redelijk, fatsoenlijk’ in ende hunluyden ... seer schappelic gebiet ende beveelt ‘en hen op fatsoenlijke wijze gebiedt en beveelt’ [1475; Gemeentearchief Hoorn]; vnnl. schappelick ‘goed gevormd, mooi, fatsoenlijk’ [1599; Kil.]; nnl. schappelijk ‘redelijk, niet overdreven’ in is dat niet al vry schappelyk ‘is dat al niet vrij redelijk’ [1732; iWNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -lijk bij een niet meer bestaand zn. schap ‘gedaante, gestalte’: vnnl. schap, schappe, schape ‘vorm, gedaante’ [1599; Kil., die al opmerkt dat het verouderd is], zie → -schap. De betekenisontwikkeling lijkt op die van fatsoenlijk bij → fatsoen.
Lit.: Gemeentearchief Hoorn: document met signatuur 629 R 869.02

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schappelijk* [redelijk] {schappelick [gepast, fatsoenlijk] 1599; de huidige betekenis 1731-1735} van schap [gedaante, gestalte] (vgl. -schap).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schappelijk bnw., bij -schap. Sedert Kil.: “schappigh, schappelick. Bene formatus, formosus, compositus, decens, speciosus”. Vgl. eng. shapely “welgemaakt”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schappelijk bijv., van *schap = vorm, maaksel (z. schap 2 en vergel. fatsoen-lijk en Eng. shapely).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skaflik b.nw. Ook skaplik.
1. Taamlik goed, redelik. 2. Fatsoenlik, beleef. 3. Billik.
Uit Ndl. schappelijk (1599 in die vorm schappelick), 'n afleiding met -lijk van schap 'gedaante, gestalte'. Ndl. schappelijk hou verband met scheppen 'skep, vorm'.
Vgl. Eng. shape (1050).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skaplik: – skaflik – , fatsoenlik; redelik/taamlik goed; Ndl. schappelijk (uit schap(e), Mnl. scape, “gedaante, gestalte”, Eng. shape) en dan verb. m. Ndl. scheppen, Afr. skep, hoewel betwyfel word of skaplik aan Eng. shapely ontln. is – vorm skaflik mntl. d. byg. aan Ndl. schaffen, “iets gedaan kry” (soos dit hoort?), v. skaf.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schappelijk* redelijk 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal