Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-schap - (achtervoegsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-schap achterv.
Onl. watarskap ‘waterloop, waterbron’ [709; ONW], urkuntskap ‘getuigenis’ [10e eeuw; W.Ps.], giselliskap ‘gezelschap’ [ca. 1100; Will.].
Oorspr. een vrouwelijk nomen actionis bij de wortel van → scheppen 1 ‘creëren’. Zie ook → schappelijk. De betekenis ‘schepping’ zal al vroeg vervaagd zijn tot ‘gestalte, vorm, geaardheid, toestand’, waardoor het woord geschikt werd als achtervoegsel voor abstracte en collectieve zelfstandige naamwoorden.
Os. -skepi; ohd. -scaf (naast -scaft met extra *-ti-achtervoegsel > nhd. -schaft); ofri. -skipe (nfri. -skip); oe. -scipe (ne. -ship); < pgm. *-skapi-.
Aanvankelijk waren de afleidingen op -schap overwegend vrouwelijk, bijv.boodschap, maar al in de 13e eeuw werden sommige afleidingen ook onzijdig, bijv. meesterschap, en ontstonden de eerste nieuwe onzijdige afleidingen, bijv. landschap. In de loop van de tijd tekende zich door analogiewerking een globaal betekenisonderscheid af tussen vrouwelijke en onzijdige -schap-afleidingen: afleidingen van bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden zijn vrouwelijk en duiden een hoedanigheid aan (blijdschap, → gemeenschap, vriendschap, zwangerschap, → wetenschap, zeggenschap); afleidingen van zelfstandige naamwoorden kunnen een waardigheid uitdrukken en zijn dan onzijdig (burgemeesterschap, lidmaatschap (zie → lidmaat 2), vaderschap), of een verzameling, waarbij beide woordgeslachten voorkomen: de broederschap, demaatschap, de vennootschap, het bondgenootschap, hetgezelschap, het landschap (oorspr. ‘gewest, verzameling land’, met latere betekenisuitbreiding).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-schap* [achtervoegsel ter vorming van zn.] {oudnederlands -scap in bv. urcuntscap [getuigenis] 901-1000, middelnederlands -schape, -schep, -schip} oudsaksisch -skepi, oudhoogduits -scaf, oudfries -skip, oudengels -scipe, -sciepe, oudnoors -skapr, vgl. middelnederlands schape [vorm, gestalte, gedaante], oudsaksisch giskapu [schepsels], oudengels gesceap (engels shape), oudnoors skap [aard, vorm]; behoort bij scheppen2 [creëren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schap 2 achtervoegsel, mnl. -scap, -scēpe v.o., onfrank. -scap, -scepi, os. -skepi, ohd. -scaf v., on. skapr m. en de inguaeoonse vormen mnl. (vlaams) -scip, ofri. -skipi, -skip v.o., oe. -scipe m. (ne. -ship), os. -skipi. — Daarnaast os. -skaft, laat-ohd. -scaft (nhd. -schaft), oe. -sceaft. — Eigenlijk een zelfstandig woord vgl. ohd. scaf m. n., on. skap o. ‘gestalte, aard’, oe. gesceap ‘gestalte’ (ne. shape) en os. giskaft ‘lot’, ohd. giscaft v. ‘schepsel, aard, eigenschap’, oe. gesceaft v. o. ‘schepsel, schepping’. — Zie verder: scheppen.

Een woord als ohd. friuntscaf betekende dus eig. ‘de aard van een vriend’, dus abstr. ‘vriendelijke gezindheid’. De vormen met toegevoegde t treden eerst sedert de 9de eeuw op. — Een andere verklaring bij E. E. J. Messing Nph 2, 1917, 185-190 en 272-283.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-schap achtervoegsel (de, het), mnl. -scap, -scēpe, -scip v. o. = onfr. -scap, -scepi v. o., ohd. -scaf v., os. -skepi, -skipi- m. o., ofri. -skipi, -skip v. o., ags. -scipe m. (eng. -ship), on. -skapr m., waarnaast laat-ohd. -scaft (nhd. -schaft), os. -skaft, ags. -sceaft v. Vgl. got. ga-skafts v. “schepsel, schepping”, ohd. gi-scaft v. “schepsel, aard, eigenschap, gestalte”, os. gi-skaft v. “lot”, ags. ge-sceaft v. o. “schepsel, schepping”. Van de bij scheppen besproken basis. De oorspr. bet. van germ. *-skapi-, *-skafti- is “wijze, geaardheid”. Hierbij nog ohd. scaf (o.?) “wijze, gedaante”, os. gi-skapu o. mv. “lotsbesluit, schepsels”, ags. ge-sceap o. “schepping, schepsel, vorm, aard, lot, lotsbestemming” (eng. shape), on. skap o. “aard, vorm, geestestoestand, neiging”, mv. skǫp “noodlot”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

-schap 2 suffix, Mnl. -scap, -scepe, Onfr. -scap, -scepi, Os. -skepi + Ohd. -scaf, -scaft (Mhd. id., Nhd. -schaft), Ags. -scipe (Eng. shape en -ship), Ofri. -skip, On. -skapr (Zw. -skap, De. -skab): is eig. een subst. Ohd. scaf, Ags. sceap (Eng. shape), On. skap = vorm, schepsel, bij scheppen 1.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut