Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schap - (legplank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schap zn. ‘legplank’
Mnl. sc(h)ap ‘kast, kist’ in Gheg. B. ... van den iseren boey voor dat scap in die gherwekamer ‘gegeven (aan) B. voor de ijzeren band voor de kast in de sacristie’ [1433; MNW], schap, schaep ‘kast, kist’ [1477; Teuth.]; vnnl. opt schap setten ‘op de kast zetten’ [1561; iWNT turfhoek], schap ‘kast, kist, doos, vat’ [1599; Kil.]; nnl. Op de schappen van dat kabinet [1856; Cremer].
Os. skap ‘stuk vaatwerk’; ohd. skaf ‘vaatwerk voor vloeistoffen’ (nhd. Schaff); ofri. skep ‘vat’; oe. sceap ‘vat’; < pgm. *skapa- ‘vat’.
Herkomst onduidelijk. Als ‘ton, vat’ de oorspr. betekenis is (NEW), kan men denken aan iets wat is uitgehold. Te vergelijken zijn dan → schoep en → schop 1. Mogelijk is er ook verband met het woord → schip, dat in het Duits soms ook ‘vat, vaatwerk’ kan betekenen, al kan hierbij Latijn scyphus (< Grieks skuphos) ‘beker, bokaal’ een rol spelen. Men zou dan aan de losse planken van een vat moeten denken, maar de betekenisovergang is vreemd en Kluge-Seebold wijst het dan ook af. De verklaring blijft dus onzeker.
De oorspr. betekenis in het Nederlands is ‘kast, kist’, of in elk geval een voorwerp om iets in op te bergen. Bij uitbreiding is hieruit via ‘planken in een kast’ de huidige betekenis ‘legplank in het algemeen’ ontstaan. Deze is pas vanaf de 19e eeuw duidelijk aanwijsbaar.
Lit.: J.J. Cremer (1856), Daniël Sils, Arnhem, 51

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schap* [plank] {1433, vgl. scaprade [pottenkast] 1301-1310 in de betekenis ‘houten rek, plankenkast’} oudsaksisch skap, oudhoogduits scaf, oudfries skep, oudengels sceppe [vat], oudnoors skeppa (vgl. schepel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schap 1 znw. o. v. (zuidelijke en oostelijke dialecten) ‘plank van een wandkast; legkast’, mnl. scap o., ‘houten rek, plankenkast’, os. mnd. schap, ohd. scaf, skaph ‘vaatwerk voor vloeistoffen’, ofri. skep, oe. sceap ‘vat’, waarnaast abl. schoep en schop. — Men moet klaarblijkelijk van een woord voor ‘ton, kuip’ uitgaan, dat dan oorspr. ‘iets dat uitgehold is’ kan betekend hebben, vgl. lit. skabù, skaběti ‘snijden, behouwen’ en met andere labiaal daarnaast de groep van schaven. Nadat de tonnen uit losse planken vervaardigd werden, die zoals Kluge-Mitzka 631 opmerken, oudtijds loodrechte zijkanten hadden en dus uit rechte plankjes bestonden, kon het woord op andere voorwerpen overgedragen worden: eerst min of meer hol gemaakte werktuigen als schop en schoep, dan ook ‘plank’ en ‘plankenrek’. — Zie ook: scheppen, schepel en schapraai.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schap 1 v. (plank), Mnl. id. = plank, kast + Ndd. id., Ohd. scaf (Nhd. schaft), Ofri. skep, On. skapr (Zw. skåp, De. skab = rek, kast), behoort bij scheppen 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schap ‘plank’ -> Deens skab ‘kast’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skap ‘plankenkast, legkast’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skåp ‘kast’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kaappi ‘kast’ ; Ests kapp ‘kast’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schap* plank 1433 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut