Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schans - (versterkingswerk; springschans)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schans zn. ‘versterkingswerk; springschans’
Mnl. scans ‘rijshout’ in de plaatsnaam Scanseeute ‘weide in bos (eeute) met rijshout’ [1444; Claes 1997]; vnnl. scanse ‘takkenbos, rijsbos’ [1512; MNHWS], dan schans(s)korven ‘schanskorven’ [1527; MNHWS], schanssen (ww.) ‘schansen opwerpen’ [1544; MNHWS], daarna schans ‘versterkingswerk’ in binnen schansen [ca. 1550; WNT verknapen], en Eenen stercken schans [1561; WNT Aanv. erreur]; nnl. schans ‘springschans voor skiërs’ als in de Olympia-schans [1927; Vaderland].
Vermoedelijk ontleend aan Middelnederduits schanse, schantze ‘bundel rijshout; verdedigingswal’, Hoogduits Schanze ‘verdedigingswal’ [eind 15e eeuw; Paul], eerder al ‘bundel rijshout’, Hessisch schanze ‘bundel rijshout, grote mand’ en Westfaals schantse ‘takkenbos’ (Kluge). De verdere etymologie van deze woorden is niet duidelijk. In de 20e eeuw ging Schanze ook ‘springschans’ betekenen door de overeenkomst van de ski-schans met een bepaald type verdedigingswal: gelijkvloerse toegang, maar aan de andere kant loodrecht naar beneden aflopend.
Verdedigingswallen werden versterkt met rijshout, dat vaak verwerkt werd in een soort manden zonder bodem, gevuld met aarde (schanskorven). Dat verklaart de overgang van ‘rijshout’ naar ‘verdedigingswal’. Het woord zou in de laatste betekenis meegenomen zijn door Duitse huursoldaten.
Er is wel aangenomen dat het woord schans ontstaan is uit schrans ‘bundel, takkenbos’ [1477; Teuth.], ook ‘verdedigingswal’, in een onduidelijke betekenis al iets eerder gesignaleerd [1470-71; Claes 1995] (Claes). Het probleem is dat schrans niet duidelijk ouder is dan schans. Bovendien komt het verwante schanze al vroeg in het Duits voor (waar geen woord met overeenkomstige betekenis met een r bestaat). Schanze zou dan door het Duits in de 15e eeuw aan het Nederlands ontleend moeten zijn, maar er zijn geen sporen van het Nederlandse woord uit die tijd behalve de ene veldnaam Scanseeute uit Zonhoven bij Hasselt. Het woord schans ‘rijshout, verdedigingswal’ kan overigens (in omgekeerde richting) de betekenis van het in klank verwante schrans ‘id.’ wél beïnvloed hebben.
Een andere theorie is dat schans ontleend is aan Italiaans scanso dat iets als ‘afweer’ betekent (NEW, EDale), maar dan wordt de oudste betekenis ‘rijshout’ van schans genegeerd, terwijl het Italiaanse woord scanso ‘terugtocht’ [1640; DELI] veel te jong lijkt als bron van ontlening.
Lit.: F. Claes s.j. (1995), ‘Schans en Schrans’, in: Naamkunde 27, 33-45

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schans [takkenbos, versterkingswerk] {scan(t)se [takkenbos, rijsbos] 1512, schanssen [versterkingswerken] 1566-1568} < middelhoogduits schantse, in die schantse stellen [aan gevaar blootstellen], schanze [rijsbos, versterking] < italiaans scanso [afweer], van scansare [ontwijken van gevaar] < latijn ex [uit] + campsare [omzeilen] < grieks kamptein [buigen, zich wenden].

schrans [schans, lage stenen muur] {schrantse 1599} uit schans.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schans znw. v., sedert Kiliaen: schantse ‘schans, verschansing, bolwerk’ ook schantse, schentse ‘takkenbos’ als Fris. aangeduid, evenals mnd. schantze v. ‘takkenbos, schans, wal, borstwering’ < later-mhd. schanze (15de eeuw) ‘takkenbos, schans, sluitboom’. — Het maken van dergelijke oorspr. uit vlechtwerk en takkenbossen gemaakte verdedigingsmiddelen is een uitvinding van de Italianen, die daarvoor het woord scansi mv. van scanso ‘afweer’ gebruikten. Dit woord is afgeleid van scansare ‘uit de weg gaan’ < vulg. lat. *excampsāre van lat. campsāre ‘omzeilen’ < gr. kámpsai van kámptein ‘buigen’ (W. Hartnacke, Neuphil. Monatsschr. 14, 1843, 76-77). — > ne. sconce ‘klein vestingwerk; scherm voor het vuur’ (sedert 1571, vgl. ook het nu verouderde sconce-korf, sedert 1629, vgl. Bense 350).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schans znw., sedert Kil., die naast schantse “schans, verschansing, bolwerk” ook schantse, schentse (“Fris.”) met de bet. “takkenbos” opgeeft. Evenals mnd. schantze v. “takkenbos, schans, wal, borstwering” wsch. uit later-mhd. (nhd.) schanze v. “id., sluitboom”. De oorspr. bet. was wsch. “iets gewondens, gevlochtens”. Hiernaast Teuth. schrantz “fascis”, Kil. schrantse, schrante “takkenbos”, dat hij “Sicamb.” noemt, terwijl hij schrantsen “verschansen” als “Fland.” opgeeft. In ’t Vla. bestaat nog schrans “schutsel, scherm, windeweer”, beschransen “verschansen”; Kemp. schrans = “lage steenen muur, schans”, hagelandsch schrans “schans”. Men leidt de vormen zonder r wel uit die met r af (onzeker!), schrant-, hd. schranz- wordt dan uit skraŋk-t- verklaard (vgl. lente) en gebracht bij Kil. schrancke “omheining, sluitboom, schraag, tralie” (reeds mnl. voorkomend), Teuth. schranck “tralie”, mhd. (nhd.) schranke v., schrank m. “traliewerk, omheining”, ohd. scranc m. “bedrog”, mnd. schranke v., schrank o. “omheining, traliewerk, beschot”, ags. screncan “een hindernis in iemands weg leggen” (een ook mnl., ohd., mhd., mnd. ww.); buiten het Germ. combineert men lit. su-kargýti “verbinden”; zie schrank; de oorspr. bet. van schans, ouder schrantse, dat ook volgens deze verklaring een oorspr. hd. woord is, zou dan “vlecht-werk, iets gewondens” zijn. Aangezien de gepostuleerde mhd. vorm *schranze “takkenbos” of “schans” of “afsluiting” niet bekend is, is deze verklaring onzeker; evenzoo andere hypothesen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schans v., Kil. schantse, uit Hgd. schantze = takkenbos, verschansing; hierbij uitsluitend Ndl. (in vele dial.) schrans(e) = lage steenen muur, schans, ook boerderij, Kil. schrantse: beider verhouding en oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

skans: borswering; Ndl. schans (in SNdl. dial. nog schrans, by Kil schantse/schrantse, by vRieb schans(korven), beschansinge), misk. uit of beïnvl. d. Hd. schanze (vgl. krans), vroeër blb. verdedigingswerk v. takke, vgl. vRieb se schans(korven) en Kil se fascis lignorum, “bundel hout/takke”.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

schans 'versterkingswerk'
De primaire betekenis van schans is 'rijshout, takkenbos'. Aarden verdedigingswallen werden vaak versterkt met rijshout en dat verklaart de overgang van 'rijshout' naar 'versterkingswerk'. Sinds het midden van de 16e eeuw heeft schans in die laatste betekenis een grote verspreiding gekregen in Noord- en Zuidnederland1. Het woord zou zijn meegenomen door Duitse huursoldaten, vergelijk mnd. schanse, schantze 'bundel rijshout, verdedigingswal', mhd. Schanze 'verdedigingswal' (eind 15e eeuw)2.
Lit. 1Naamkunde 27 (1995) 45, 2EWN IV 71.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

schans (Middelhoogduits schanze)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schans ‘versterkingswerk; halfdek’ -> Engels sconce ‘verdedigingswerk, bolwerk; scherm; platte ijsberg’; Deens skanse ‘versterkingswerk; het achterste, verhoogde gedeelte van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors skanse ‘versterkingswerk; achterkasteel van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds skans ‘versterkingswerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kanssi ‘afgeschermd achterdek voor bemanning’ ; Russisch škáncy ‘opbouw op het achterdek van oude oorlogsschepen; halfdek’; Oekraïens škáncy ‘opbouw op het achterdek van oude oorlogsschepen’ ; Azeri škansy ‘opbouw op het achterdek van oude oorlogsschepen’ ; Litouws škancai ‘opbouw op het achterdek van oude oorlogsschepen’; Zuid-Afrikaans-Engels schanse ‘borstwering’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schans versterkingswerk 1566-1568 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut