Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schande - (oneer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

schande zn. ‘oneer’
Mnl. bit scanden ‘tot (onze) schande’ [1201-25; VMNW], schande ‘schande, schanddaad’ [1240; Bern.].
Mnd. schande; ohd. scanta (nhd. Schande); oe. scand; ofri. skonde, skande; got. skanda; alle ‘oneer’, < pgm. *skandō-, door assimilatie ontstaan uit *skamdō-. Afleiding van de wortel van → schamen (zich). Hierbij hoort ook het bn. ohd. scant ‘beschaamd’ en het zn. oe. scond ‘schandalig persoon’.
Zie ook de afleiding met umlaut → schenden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schande* [oneer] {1201-1225} middelnederduits schande, oudhoogduits scanta, oudfries skonde, oudengels scond, gotisch skanda; afgeleid van schamen, waarbij m tot n werd voor de d.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schande znw. v. mnl. scande v. ‘schaamte, schande, hoon’, mnd. schande v. ‘schande, smaad’, ohd. scanta (nhd. schande), ofri. skonde ‘schande, schaamdelen’, oe. scond, got. skanda v. ‘schande’. Hierbij ook ohd. scant ‘beschaamd’, oe. scond m. ‘schandalig mens’ en het ww. schenden. — Uit een germ. *skamþa ontstond door assimilatie md > nd de vorm schande; het is een afl. van schamen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schande znw., mnl. scande v. “schaamte, schande, hoon”. = ohd. scanta (nhd. schande), mnd. schande v. “schande, smaad”, ofri. skonde v. “id., pudenda”, ags. scond, got. skanda v. “schande”. Hierbij ohd. scant “beschaamd”, ags. scond m. “schandalige man” en ’t ww. ndl. schenden, mnl. scenden (nog zwak) “onteeren, schenden, te gronde richten, benadeelen, ergeren”, onfr. scendan “confundere”, ohd. scenten “tot schande brengen” (nhd. schänden), mnd. schenden “tot schande brengen, verkrachten, schenden, smaden, benadeelen”, ags. scendan “tot schande brengen, schenden, kwaad doen”. Bij schamen met nd < md < (vgl. beemd, grond).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schande v., Mnl. scande + Ohd. scanta (Mhd. schande, Nhd. id.), Ags. scond, Ofri. skonde, Go. skanda: uit *skam-dô, een afleid. van *schaam: z. schamel 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjan (zn.) schande; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) schan, Vreugmiddelnederlands scande <1201-1252>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skande s.nw.
1. Toestand van oneer of vernedering. 2. Daad wat lei tot oneer of vernedering. 3. Toonbeeld van oneer of vernedering.
Uit Ndl. schande (Mnl. scande). Ndl. schande hou ook verband met Ndl. schenden (Mnl. scende) 'skend' en Ndl. schamen (Mnl. scamen) 'skaam'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Schande (8ste eeu), Eng. scandal. Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1973).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schan’de (de), (ook.) iets dat als schandelijk (oneervol) beschouwd wordt, i.h.b. armoede. Ze zeggen, dat een moeder is, sribikrosi [S] dekkleed tegen schande. Maar is er één die mij de schande dekt, ik, die zelf de schande van mijn kinderen probeer te dekken? (Cairo 1976: 103).
— : schande geven (gaf, heeft gegeven), te schande maken. Sjaak heeft fortuin gemaakt, zijn vader zal hij geen schande geven (Mungroo 1977: 49). Wat voor fout hadden ze in feite gemaakt? Dat ze hun ouders schande hadden gegeven omdat één of andere traditie wilde dat je eerst getrouwd moest zijn voorda tje ’dat’ mocht doen en kinderen mocht krijgen? (Rappa 1984: 95).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

schande. De zelfverwensing wat of o (honderd) duysent schangden, waarmee men alle denkbare schande over zich afroept als men de waarheid niet spreekt, werd tot een uitroep. De vorm schangden is een gevelariseerde vorm, waarbij de d behouden is. Beperkt tot de 17de eeuw. Ook is overgeleverd de bastaardvloek by gantsch schande of gewoon de verkorte vorm gans schande. In het hedendaags Nederlands komt ook zeer frequent schande! voor, dat een verkorting is van schande kome over u. → honderd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schande, van schamen (z. d. w.); ’t staat eigenlijk voor schamde. Het dem. is schenden: tot schande maken. Vandaar dat in Vondels tijd schendig ook schandelijk bet.; bijv.: „Het was hem leedt, dat hij zulk een vermaarden man zoo schendig hadt doorgestreeken” (= gehekeld).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schande ‘oneer’ -> Negerhollands skande ‘oneer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schande* oneer 1201-1225 [CG II1 Floyris]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

96. Een rotte appel in de mand maakt de geheele vrucht tot schand,

d.w.z. het kwaad is aanstekelijk, slecht gezelschap bederft goede zeden; lat. uva uvam videndo varia fit. Vgl. in het Mnl. Doct. II, 852: Die appel oec gheerne vervuult die bi verrotten appelen leght. Con. Somme, 478: Een verrotte appel onder ganse appelen verderft die ander appelen, is hi langhe daer onder; Cats I, 408: Een rotten appel in de mande maeckt oock het gave fruyt te schande; De Brune, 425: Een wrotten appel in een mand, maeckt al de reste licht tot schand; Tuinman I, 141; Harreb. I, 17 b; Waasch Idiot. 78 a: Een appel die bedorven is, schendt al wat in de korven is. Syn. is Een schurft schaap bederft de gansche kudde (zie Servilius, bl. 59; Cats I, 410; De Brune, 424; Tuinman I, 141; Harrebomée I, 454), dat ontleend is aan het lat. unius pecudis scabies totum commaculat gregem; fr. il ne faut qu une pomme pourrie pour en gâter cent autres; hd. ein fauler Apfel steekt hundert gesunde an; eng. one ill weed spoils a whole pot of pottage (zie verder Prick, bl. 9).

1980. Door schade en schande wordt men wijs.

Deze gedachte werd in het lat. uitgedrukt door eventus stultorum magister est; mlat. stultus damnatus maiori cedit honori. Het spreekwoord komt in het Mnl. nog niet voor; wèl de verbinding scade ende scande naast sonde ende scande. Het eerst vindt men het spreekwoord bij Campen, 17: Men moet wys worden, het sy met schade oft met schande; Servilius, 252*: Men moet leeren met scade of met schande; Sart. I, 4, 52: Men leert niet dan met schade of schande; Goedthals, 57; Idinau, 173; Cats II, 280:

 De schade die men lijt, de schande die men vreest,
 Maeckt plompe sinnen sneegh, en wet een domme geest.

De Brune, 327; 477; Tuinman II, 174: Men moet leeren met schade, en met schande; Adagia, 48: Met schande ofte met schaede worden wy weys, quae nocent docent; Harreb. II, 240; Afrik. deur skade en skande word mens wys; Suringar, Erasmus CXI; Wander IV, 44; voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1059: ge moet leeren met schade of met schand; fri. me moat leare mei skea en mei skande.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal