Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schalm - (schakel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schalm* [schakel, merk op boom] {1475-1476 als ‘ijzeren band om een vat’; de betekenis ‘schakel’ 1697; als ‘merk op boom’ 1899-1906} vgl. nederduits schalm [dun plankje], oudnoors skalm [stuk van gekloofd hout, zwaard]; buiten het germ. grieks skalmos [dol (van roeiboot)], litouws kelmas [boomstronk]; verwant met schel2, schil; voor de betekenis ‘merk op boom’ vgl. de afleiding bij Kiliaan schalmen [snoeien, de bast afslaan] {1599}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schalm znw. m. ‘schakel’ eerst na Kiliaen, oostfri. schalm ‘schakel’; mnl. scalm (éénmaal) ‘ijzeren band om een vat’. Waarschijnlijk hetzelfde woord als oostfri. schalm ‘pin om een gat dicht te maken’, nnd. schalm ‘dun plankje’, on. skalm ‘gevorkte tak; zwaard’, skǫlm v. ‘id’, nijsl. skalm, nnoorw. skolm, skjelm ‘huls’, dial. ‘spleet, schelp’, nzw. skalm ‘vork aan disselboom’, nde. skalm ‘dun plankje’. — gr. skalmós ‘riemdol, pin’, thrac. skálme ‘mes, zwaard’, lit. kelmas ‘boomstronk’, opr. kalmus ‘staak’. — vgl. helm 3 en schel 1.

Een afl. is schalmen ‘snoeien, de korst afslaan’ sedert Kiliaen, die het ‘vetus’ noemt. Ook schalmen, nnd. schalmen ‘de presennings, waarmee de luiken overdekt worden, vastmaken’. Daarnaast bij Winschooten 1681 schalken ‘de luiken, hetzij met touw hetzij met klampen vast maken’ (vgl. FW 572). Hieruit blijkt dat schalm in bet. dicht naast schalk 2 staat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schalm (schakel), niet bij Kil. = oostfri. schalm “schakel”. Mnl. komt eenmaal scalm, voor (1475/76) met een andere bet., wellicht = “houtje om een gat of voeg dicht te maken” evenals oostfri. schalm. Hierbij vgl. nog ndl. schalmen “de presennings, waarmee de luiken overdekt worden, vastmaken”, ook ndd.; NB. Winschooten, Seeman, 1681 kent schalken “de luiken, het sij met touw het sij met klampen vast maaken”, in dezelfde bet. sedert de 18. eeuw in de du. zeetaal; dit is òf een (oude of jonge) variant-formatie naast schalmen òf een afl. van schalk als voorwerpsnaam. Ndl. schalmen “snoeien, de korst afslaan” (sedert Kil., die ’t “vetus” noemt) hoort wsch. bij on. skalm v. “kort zwaard, punt van een vork” dat = gr. (thrac.) skálmē “kort zwaard” kan wezen. Dit laatste woord hoort bij de onder schel I besproken basis, misschien eveneens de andere geciteerde woorden en on. skalm v., noorw. skolm “huls van een vrucht”. Deze laatste zouden ook als anlautvariant met helen en huls verwant kunnen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schalm 1 m. (schakel, beugel), Mnl. scalm + Oostfri. id.: oorspr. onbek.

schalm 2 m. (plat dekstuk, ontschorste plek), + dial. Hgd. schalmen = schillen, Noorsch skalma = schil: afleid. van denz. wortel als schaal 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schalm ‘schakel’ -> Duits dialect Schalm ‘schakel’; Deens skalm ‘stukje hout dat ervoor zorgt dat spijkers niet te diep in hout geslagen worden’; Indonesisch sekalem ‘schakel, verbinding, gewricht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schalm* schakel 1697 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut