Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schaken - (schaakspelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schaak bn. ‘in een positie waarin de koning geslagen kan worden’
Onl. vermoedelijk als toenaam in ex Galtero Scac (Brugge) ‘van Wouter Schaak’ [1187; Debrabandere 2003]; mnl. schak met enen matte ‘schaakmat’ [1265-70; VMNW], te scake ‘bij het schaakspel’ [1293; VMNW], in die Schaeck ‘in het huis waar het schaakbord uithangt’ [1444; MNW].
Ontleend aan middeleeuws Latijn sca(c)cus, sca(c)chus ‘schaakstuk’, mv. ‘schaakspel’ [midden 9e eeuw; Niermeyer], of aan Frans eschac, mv. eschas [ca. 1165; Rey], variant van eschecs ‘schaakspel’ [1080; Rey], ook eschec ‘de situatie waarin koning of koningin geslagen kan worden’ [ca. 1170; TLF], die beide via het Arabisch ontleend zijn aan Perzisch šāh ‘koning’, met name ‘koning in het schaakspel’. Mogelijk is de -c aan het woordeinde in het Frans ontstaan onder invloed van eschec, eschac ‘(oorlogs)buit’, ontwikkeld uit Frankisch *skāk ‘id.’, zie → schaken 2, omdat de uitroep eschac! ook geïnterpreteerd kon worden als ‘buit!’.
Perzisch šāh ‘koning, sjah’ gaat terug op Oudperzisch xāyaþiya ‘koning, heerser’, horend bij Avestisch xšayati ‘heersen’, dat wrsch. is afgeleid van pie. *h3(e)kw- ‘bekijken’ (LIV 297), waarvan ook → oog is afgeleid.
Het schaakspel is hoogstwaarschijnlijk in India ontstaan en toen via Perzië en vervolgens via het Arabische culturele imperium inclusief Spanje en Sicilië Europa binnengekomen, waar het al in de 9e eeuw overal bekend was.
schaakmat bn. ‘verloren staan in het schaakspel’. Mnl. scaec ende mat [1290-1310; MNW-R]; vnnl. schaec en mat [1561; WNT], “Schachmat”, de Kooning is dood [1681; Van Winschooten]; nnl. schaak mat [1709; WNT]. Het Middelhoogduits en het Middelnederlands hebben de combinatie schach unde matt en scaec ende mat aan het Oudfranse eschec et mat ontleend. Daarna heeft het Nederlands schaakmat vermoedelijk ontleend aan het in het Duits ook voorkomende schachmatt ‘schaakmat’ [1702; Grimm], eerder al schach mat ‘id.’ [14e eeuw; Suolahti], dat of ontleend is aan het in het Frans zeldzame eschec mat ‘id.’ [begin 13e eeuw; Rey] of aan middeleeuws Latijn scaccum mattum ‘id.’ [1282-87; Niermeyer], die beide teruggaan op de Arabische uitdrukking (aš-)šah māt ‘(de) koning is dood’, waarin het eerste woord ontleend is aan het Perzisch, en het tweede zeer waarschijnljk ook. Het Perzische māt betekende ‘radeloos, zonder uitweg’. Schaakmat is dan: de koning heeft geen uitweg meer. In het Arabisch is dit māt geherinterpreteerd als het woord voor ‘dood’, zie → mat 3. ♦ schaken 1 ww. ‘schaakspelen’. Mnl. te scaken ‘te schaken’ [1374-94; MNW], schaken ‘schaken’ [1454-73; MNW]. Afleiding van het zn. schaak.
Lit.: W. van Winschooten (1681), Seeman, Leiden, 221; H. Suolahti (1929-33), ‘Der Französische Einfluss auf die deutsche Sprache im dreizehnten Jahrhundert’, in: Mémoires de la Société Néo-philologique de Helsingfors, Helsinki enz., VIII, 1-310 en X, 1-486; Philippa 2008

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schaken1 [schaak spelen] {1340 in de betekenis ‘schaak spelen, in ruiten verdelen’} van schaak (vgl. schaakmat).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schaken 3 ww. ‘schaakspelen’, mnl. scâken, mhd. schāchen is een afleiding van schaak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schaken I (schaakspelen). Reeds mnl., mhd. Zie schaak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

skaak II: bep. spel m. stukke op bord; Ndl. schaak (Mnl. scaec), Hd. schach, soos Eng. chess, via Ofr. eschac/eschec (Fr. échec) uit Arab. uit Pers. shah, “koning”, v. sjah; hierby ww. Ndl. schaken, Afr. skaak, “skaak speel”; v. tjek.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schaakspel, door de Romanen, bijv. ’t It. scacco, ontleend aan ’t Perzische sjach = koning. De koning is de hoofdfiguur.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schaken ‘schaakspelen’ -> Sranantongo schaak ‘schaakspelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schaken schaakspelen 1340 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut