Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schade - (nadeel; beschadiging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

schade zn. ‘nadeel; beschadiging’
Onl. scatho ‘nadeel’ in mir ne mohte necheîn scatho werthen ‘dan zou ik daarvan geen nadeel hebben’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. scade uil grot ‘een erg nare toestand’ [1201-25; VMNW], sc(h)ade ‘schade’ [1240; VMNW].
Os. skađo (mnd. schade); ohd. scado (ndu. Schade(n)); ofri. skatha (nfri. skea); oe. sceaða; on. skaði (nzw. skada); got. skaþis; alle ‘schade, nadeel, onrecht e.d.’, < pgm. *skaþa(n)-, *skaþi-.
Gevormd bij het sterke werkwoord *skaþjan- ‘schaden’, waaruit: oe. sceððan; got. skaþjan. Uit een zwakke werkwoordsafleiding *skaþōn- ‘id.’ ontstonden schaden (zie onder), en verder: os. scađon (mnd. schaden); ohd. scadān (nhd. schaden); on. scaða (nzw. skada).
Verdere herkomst onduidelijk; vermoedelijk verwant met Oudiers scathaim ‘kreupel maken’.
schaden ww. ‘schade toebrengen’. Onl. scathon ‘nadeel berokkenen’ in Scathan sal ‘hij zal schaden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sc(h)aden ‘schaden, nadelig zijn’ [1240; Bern.]. Afleiding bij schade (zie hierboven). ♦ beschadigen ww. ‘schade toebrengen’. Mnl. besc(h)adigen ‘benadelen, schade doen’ in dat niement ... Dordrecht ... bescadige ‘dat niemand Dordrecht schade toebrengt’ [1407; MNW tale], Dat men uyt Gorinchem den lande van Gelre niet beschadigen en sall [1412; MNW verhalen]. Afleiding met het voorvoegsel → be- van mnl. schadigen ‘schade toebrengen’ [1388; MNW], dat met het achtervoegsel → -igen is afgeleid van schaden. Daarnaast bestond ook mnl. beschaden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schade*, scha [nadeel, beschadiging] {1237} oudsaksisch skado [schaduw], oudhoogduits scaðo [misdadiger], oudfries skatha, oudengels sceaða, oudnoors skaði, gotisch skaþis; buiten het germ. is verwant grieks (a)skèthès [(on)beschadigd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schade znw. v., mnl. scāde m. v., os. skatho, ohd. scado (nhd. schade), ofri. scatha, oe. sceaða m., on. skaði m. ‘schade, verlies’. Ook als nomen agentis voor ‘misdadiger, vijand, duivel’ os. skatho, ohd. scado, oe. sceaða. Verder een i-stam in owfri. scetha, schede mv., got. skaþis. In het on. ook ablautsvormen als skōð o. ‘gevaarlijk werktuig, wapen’ en skæðr ‘schadelijk’. — gr. askēthḗs ‘onverminkt’, miers scīth ‘vermoeid’ (IEW 950). — Zie verder: schaden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

schade znw., mnl. scāde m. v. = ohd. scado (nhd. schade), os. skatho, ofri. skatha, ags. sceaða (eenmaal), on. skaði m. “schade”. Ook met de bet. van een nomen agentis ohd. scado, os. skatho, ags. sceaða m. “die schade toebrengt, misdadiger, vijand, duivel”. In de bet. “schade” ook owfri. scetha, schede (mv. van een i-stam), got. skaþis o. Hierbij de ww. 1. got. skaþjan (sterk), on. skeðja (zwak), ags. sceððan (st. en zw.), 2. mnl. scāden (nnl. schaden), onfr. scathan, -on, ohd. scadên, scadôn (nhd. schaden), os. skathon, ofri. skathia, ags. sceaðian, on. skaða “schaden, benadeelen”. Met ablaut on. skôð o. “res noxia”, skø̂ðr “schadelijk”. Buiten ’t Germ. vgl. ier. scathaim “ik vermink”, gr. a.skēthḗs “ongedeerd”. De idg. basis heeft th.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schade v., Mnl. scade, Os. skatho + Ohd. scado (Mhd. schade, Nhd. id.), Ofri. skatha, On. skađi (Zw. skada, De. skade); daarbij Os. scatho, Ohd. scado, Ags. sceada, On. skađi = beschadiger, vijand, Go. scaþjan, Eng. to scathe = schaden + a-skēthḗs = ongedeerd, Oier. scathaim = verminken: Idg. wrt. sk̃ath.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sjaoj (zn.) schade; Vreugmiddelnederlands scatho <1151-1200>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

skade s.nw.
Terugslag of verlies deur iemand gely.
Uit Ndl. schade (Mnl. scade). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Schade (8ste eeu), Oudsaksies skatho.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

schade. In het Tafereel van Sinne-mal [1623] gebruikt de auteur, A. van de Venne, de bastaardvloek by gants schade. Ik interpreteer dat als ‘bij het nadeel dat God iemand kan laten overkomen’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Schade, van den Germ. wt. skath (Idg. skath) = deren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

schade ‘nadeel, beschadiging’ -> Negerhollands skaade, schad, skaede ‘nadeel, beschadiging’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

schade* nadeel, beschadiging 1237 [CG I1, 34]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1980. Door schade en schande wordt men wijs.

Deze gedachte werd in het lat. uitgedrukt door eventus stultorum magister est; mlat. stultus damnatus maiori cedit honori. Het spreekwoord komt in het Mnl. nog niet voor; wèl de verbinding scade ende scande naast sonde ende scande. Het eerst vindt men het spreekwoord bij Campen, 17: Men moet wys worden, het sy met schade oft met schande; Servilius, 252*: Men moet leeren met scade of met schande; Sart. I, 4, 52: Men leert niet dan met schade of schande; Goedthals, 57; Idinau, 173; Cats II, 280:

 De schade die men lijt, de schande die men vreest,
 Maeckt plompe sinnen sneegh, en wet een domme geest.

De Brune, 327; 477; Tuinman II, 174: Men moet leeren met schade, en met schande; Adagia, 48: Met schande ofte met schaede worden wy weys, quae nocent docent; Harreb. II, 240; Afrik. deur skade en skande word mens wys; Suringar, Erasmus CXI; Wander IV, 44; voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1059: ge moet leeren met schade of met schand; fri. me moat leare mei skea en mei skande.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut