Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

schab - (oude lap)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

schab2*, schabbe [oude lap] {schabbe [kiel, oud kledingstuk, oude lap] 1337} van middelnederlands schabben [krabbelen, jeuken], schabbig [kaal, versleten], een klankschilderende vorming bij schaven (vgl. schabbernak, schobber).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

schabbe, schab znw. v. (zuidnl.) ‘oude lap; overgebleven coupon van een stof; dunne werkmanskiel’, mnl. schabbe ‘versleten kledingstuk, lap, vod; linnen kiel; morsebel’, mnd. schabbe ‘lompe vent’. Hetzelfde woord als Kiliaen schabbe, on. skabb (> ne. scab) ‘schurft’, verder mnl. schabben ‘krabben, jeuken’ en nnl. schabbig of schabberig, mnl. schabbich ‘jeukerig, schurftig’, mnd. schabbich, oe. sceabbede (ne. shabby). Dit zijn vormen met affective geminering -bb- naast vormen als os. skabatho m. ‘schurft’, mnd. schēvesch ‘ellendig’, mhd. schebic (nhd. schäbig), oe. mælscafa ‘rups; meeldauw’. — Zie verder: schaven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

schab(be) 2 v. (afgescheurde vod, kiel), Mnl. scabbe: bb = bj van schaven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

schab, zn.: steenschilfer. Hetzelfde woord als Vlaams schabbe ‘kiel’. Mnl. schabbe ‘linnen kiel, oude lappen’, Vnnl. schabbe, schabbeken, schobbe, schobbeken ‘mantel, kiel’ (Kiliaan). Wvl. schabben ‘in flarden scheuren’, Mnl. schabben ‘krabben, schuren’, Vnnl. schabben ‘krabben, schaven’. Schabben is een intensivum (v > bb) van schaven. Vgl. D. schaben, Got. skaban ‘scheren’, E. shave ‘scheren’, Lat. scabere ‘schaven’. Zie ook sjab.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

schab, zn.: heiturf. Hetzelfde woord als Vlaams schabbe ‘kiel’. Mnl. schabbe ‘linnen kiel, oude lappen’, Vnnl. schabbe, schabbeken, schobbe, schobbeken ‘mantel, kiel’ (Kiliaan). Wvl. schabben ‘in flarden scheuren’, Mnl. schabben ‘krabben, schuren’, Vnnl. schabben ‘krabben, schaven’. Schabben is een intensivum (v > bb) van schaven. Vgl. D. schaben, Got. skaban ‘scheren’, E. shave ‘scheren’, Lat. scabere ‘schaven’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

schabbe 1 zn. v.: werkkiel, visserskiel. Ook Vlaams. Mnl. schabbe ‘linnen kiel, oude lappen’, Vnnl. schabbe, schabbeken, schobbe, schobbeken ‘mantel, kiel’ (Kiliaan), 1568 scabbeken is goet pant, 1711 een fijne casacque ofte schabbe, Gent (LC). Van Mnl. schabben ‘krabben, schuren’, Vnnl. schabben ‘krabben, schaven’, Wvl. schabben ‘in flarden scheuren’. Schabben is een intensivum (v > bb) van schaven. Vgl. D. schaben, Got. skaban ‘scheren’, E. shave ‘scheren’, Lat. scabere ‘schaven’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

schabbe (Al, E, W, ZV), schawwe (Al, G), schavve (L), zn. v.: kiel. Dim. schabbeken (Al) 'slabbetje, stofjasje'. Mnl. schabbe 'linnen kiel, oude lappen', Vnnl. schabbe, schabbeken, schobbe, schobbeken 'mantel, kiel' (Kiliaan), 1568 scabbeken is goet pant, 1711 een fijne casacque ofte schabbe, Gent (LC). Van Wvl. schabben 'in flarden scheuren', Mnl. schabben 'krabben, schuren', Vnnl. schabben 'krabben, schaven'. Schabben is een intensivum (v > bb) van schaven. Vgl. D. schaben, Got. skaban 'scheren', E. shave 'scheren', Lat. scabere 'schaven'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

schab heiturf (Antwerpen). = znl. schabbe ‘afgescheurde lap, schilfer, schurft’. ~ mnl. scabben ‘krabben’, intensivum bij nl. schaven (= hgd. schaben ‘schaven’, got. skaban ‘scheren’, eng. shave ‘scheren’, lat. scabere ‘krabben, schaven’, lit. skabti ‘snijden’) ~ obulg. skobli ‘schraapijzer’.
Crompvoets 168, 169, WNT XIV 173-175, IEW 931.

schabbe schurft (Zuid-Nederland). = schab ↑ ‘heiturf. ~ hgd. schabe ‘schurft’. ~ lat. scabies ‘schurft’.
WNT XIV 175.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

schabbe (B, I, K, O, P, R, DB), schobbe (O), zn. v.: lap, flard, eindje weefsel (DB), kiel, stofjas (DB, B, D, K, O, P), visserskiel (kust), schort (B, I), partje van sinaasappel (K), hoofdschilfertje (GG: K), laatste plank die uit een boom gezaagd wordt (O). Mnl. schabbe ‘linnen kiel, oude lappen’, Vroegnnl. schabbe, schabbeken, schobbe, schobbeken ‘lacerna, penula, supparus, roga levis’ (Kiliaan). Van ww. schabben (zie i.v.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut