Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sceptisch - (geneigd tot twijfel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sceptisch bn. ‘geneigd tot twijfel’
Nnl. eerst een geïsoleerd geval: een gantsch Sceptische of twijffelende Theologie [1704; Brandt], dan sceptisch ‘principieel twijfelend’ in Sceptische twyfelingen [1766; Vad.lett., 365], en ‘geneigd tot twijfel’ in een sceptisch en ironisch gezicht [1840; WNT].
Ontleend via Duits sceptisch ‘aanhanger van filosofisch scepticisme’ [1701; Schulz], ook skeptisch ‘twijfelend’ [1781; Schulz], aan Frans sceptique (bn.) ‘sceptisch’ [1694; Rey], eerder al ‘betrekking hebben op het filosofisch scepticisme’ [1611; Rey], en ‘aanhanger van het filosofisch scepticisme’ [1546; Rey], ontleend aan Grieks skeptikós ‘verifiërend, overdenkend’, ook ‘sceptisch filosoof’, een afleiding van sképtesthai ‘rondkijken, beproeven’, dat verwant is met → spieden. Het filosofisch scepticisme was de leer van Pyrrho van Elis (360-275 v. Chr.), die stelde dat de mens niets met zekerheid kan weten.
scepsis zn. ‘twijfel’. Nnl. redelijke “skepsis” [1838; Clarisse]. Internationale term, ontleend aan Grieks sképsis ‘aanschouwing, onderzoek’, een afleiding van sképtesthai. ♦ scepticus zn. ‘iemand die sceptisch is’. Vnnl. scepticus ‘soort filosoof’ [1650; WNT weifelaar I]; nnl. ‘twijfelaar, soort filosoof’ [1847; Kramers]. Ontleend aan Duits Scepticus ‘soort filosoof’ [1581; Schulz], later ook ‘twijfelaar’ [1685; Schulz], dat de verlatijnste vorm is van Grieks skeptikós ‘verifiërend, overdenkend’, een afleiding van sképtesthai.
Lit.: J. Clarisse (1838), De Heimelijkheid der heimelijkheden ... met eene inleiding en aanteekeningen, Dordrecht, 525; G. Brandt (1704), Historie der Reformatie dl. 4 Rotterdam, 815

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sceptisch [geneigd tot twijfel] {1840} < hoogduits skeptisch < grieks skeptikos [zich bezighoudend met onderzoek], van skepsis [beschouwing, onderzoek], van skeptesthai [kijken, letten op], verwant (via metathesis) met latijn specere [kijken].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sceptisch (Grieks skeptikos, Duits skeptisch of Frans sceptique)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sceptisch ‘geneigd tot twijfel’ -> Indonesisch sképtis ‘geneigd tot twijfel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sceptisch geneigd tot twijfel 1840 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut