Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

satire - (hekelschrift)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

satire zn. ‘hekelschrift’
Vnnl. eerst in een vertaalde boektitel: zijn “Satiren” (over Ariosto) [1604; iWNT]; nnl. dan als genre: bestaat of in loftuitingen of “Satyre” [1748; Holberg], eene Satire [1785; WNT voortgaan I].
Ontleend aan Latijn satira ‘serie gelegenheidsgedichten, spotdicht’, in Laatlatijn ook gespeld satyra, een latere variant van satura dat ook ‘schotel met allerlei vruchten, mengelmoes’ is, en is afgeleid van satur ‘verzadigd’ dat verwant is met satis ‘genoeg’, zie → zat. Voor een vergelijkbare betekenisontwikkeling zie → farce. De ontlening kan plaatsgevonden hebben via Frans satire ‘hekeldicht’ [1468; Rey], eerder al ‘parodiërende dans’ of ‘moralistisch muziekdrama’ [1352-56; Rey], een gewijzigde variant van satre ‘id.’ [ca. 1285; TLF], of mogelijk via Duits Satyre (mv.) ‘spotdichten’ [1540; Paul], later ook gespeld Satiren [1714; Schulz].
satirisch bn. ‘hekelend’. Vnnl. Satyrische ende schampere propoosten ‘spottende en smalende taal’ [1624; WNT propoost]; nnl. op enen Satirischen trant ‘op een satirische wijze’ [1761; Vad.lett., 948]. Ontleend aan Duits satyrisch ‘hekelend’ [1572; Schulz], ook satirisch [1575; Schulz], dat een afleiding is van Duits Satire ‘hekelschrift’, een ontlening aan Latijn satira ‘id.’. Daarnaast is tot in de 20e eeuw satiriek ‘spottend’ [1732; WNT zoo II] in gebruik geweest, dat ontleend is aan Frans satirique ‘wat tot de satire behoort’ [ca. 1380; Rey], ontleend aan Laatlatijn satiricus ‘id.’, een afleiding van satira ‘spotdicht’. De spelling met y is net als bij satire ontstaan onder invloed van de oudere spelling satyr van → sater en van de daarvan afgeleide woorden.
Lit.: L. Holberg (1748), De Deensche spectator, dl. 2, Amsterdam, 195

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

satire [hekelschrift] {1860} < oudfrans satire < latijn satura (lanx [schotel]), een met diverse vruchten en groenten gevulde schotel, vandaar mengelpoëzie in uiteenlopende metra en vervolgens satire, hekeldicht; het woord heeft niets te maken met satyr en het Griekse saterspel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

satire s.nw.
1. Letterkundige werk waarin gespot word met menslike tekortkominge en wantoestande. 2. Literatuur van hierdie soort.
Uit Eng. satire (1509 in die vorm satyre) of Ndl. satire (1860).
Eng. satire uit Fr. satire of direk uit Latyn satira, 'n latere vorm van satura. Ndl. satire uit Oudfrans satire uit Latyn satura (lanx) 'bak vol gemengde vrugte en groente', vandaar die benoeming satire vir mengelpoësie van verskillende metra. Satire het niks te make met sater 'Romeinse wellustige bosgod' of saterspel 'Griekse klugspel met saters' nie.
D. Satire (18de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

satire: hekel-/spotskrif; Ndl., Hd. en Eng. satire via Fr. satire uit Lat. satira, wv. v. satura, “mengeldig”, misk. verb. m. satur, “vol, versadig”, en ook m. satyrus (v. sater).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

satire (Frans satire)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Satire. (Gr. saturos = belachelijk; volgens anderen van ’t Lat.: lanx satura = schotel met allerlei, daar de eerste satiren een zeer gemengden, bonten inhoud hadden.) Dit soort van letterkundig voortbrengsel (proza of poëzie) stelt zich ten doel personen oï bestaande toestanden te hekelen en wel door ze belachelijk te maken. Gewoonlijk bedient zij zich van fijnen, maar toch bijtenden spot; zij maakt dan gebruik van ironie, d. w. z. zij prijst (schijnbaar), wat zij feitelijk wil afkeuren, doch de lezer bemerkt duidelijk de ware bedoeling. Ontaardt de satire in persoonlijke aanvallen, dan spreekt men van schotschrift of paskwil. – Beroemde satiren op de toenmalige toestanden zijn: Don Quichot (z. d. w.), Gullivers reizen naar Lilliput (z. d. w.), Vondels Hekeldichten, De Genestets Sint-Nicolaas avond, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

satire ‘hekelschrift’ -> Indonesisch satir(e) ‘hekelschrift’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

satire hekelschrift 1811 [WNT stekelig] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut