Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sarren - (plagen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sarren ww. ‘plagen’
Mnl. serren ‘sarren’ in Doe quam daer een out Jode ende serrede Matatias ‘toen kwam er een oude jood en (hij) sarde Matatias’ [ca. 1460; MNW], de vorm sarren in de afleiding sarringe ‘terging’ in drijnckt den kelick der sarringe ‘drink de beker van de terging’ [ca. 1475; Verdenius 1923, 133]; vnnl. sarren ‘tergen, plagen’ in rampen die u sarren en knijpen [1644; iWNT]; nnl. sarren ‘tergen, plagen’ in dorsten de andere jongens hem niet meer zóó erg te sarren als in het begin [1909; iWNT].
Wrsch. (Toll.) ontleend aan Duits zerren ‘rukken’, verwant met → tornen, of de g-afleiding daarvan, zergen ‘tergen’, zie → tergen. Uit de betekenis ‘trekken, rukken, vernielen’ is al vroeg de betekenis ‘plagen, sarren’ ontstaan. De overname van Duits z- /ts/ als Nederlands s- komt ook voor in → sieraad en → sieren, en zie ook → samen, dat is ontstaan uit tzamen.
Lit.: A.A. Verdenius (1923), ‘Lexicologische aantekeningen bij stichtelijk proza uit de Middeleeuwen’, in: TNTL 42, 131-155

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sarren [plagen] {serren 1357, vgl. sarringe [gekwel] ca. 1475} < hoogduits zerren, intensivum van zehren [teren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sarren ww. mnl. zelden serren, Teuth. tzerren uit het nhd., hetzij uit zerren ‘rukken’ (zie: teren 1) of zergen, waarvoor zie: tergen (W. de Vries, Ts 40, 1921, 60 en Verdenius Ts 42, 1923, 133).

J. W. Muller Ts 45, 1926, 15-22 acht herkomst uit het hd. niet waarschijnlijk en wijst op woorden als westvla. zeerden, zerden, zèren ‘tergen’ en sjèren, zjèren, sjerren, sjarren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sarren ww., nog niet bij Kil. Wsch. onomatop.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sarren, mnl. (zeldzaam) serren (ook het znw. sarringe komt voor), Teuth. tzerren. Wellicht ontleend aan hd. zergen (zie tergen); of zerren (zie teren I)? Vgl. W.de Vries Tschr. 40, 60; Verdenius Tschr. 42, 133.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sarren o.w., uit Hgd. zerren, intens. van zehren = teren (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sarren (Duits zerren)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sarren ‘plagen’ -> Papiaments sara ‘tergen, woest worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sarren plagen 1357 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut