Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sappel - (druk)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sappel, zn. : drukte. Sappel maken ‘zich druk maken’. Van het ww. sappelen ‘hard werken, zich afjakkeren’ < D. zappeln ‘spartelen, trappelen’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sappel (zich de/te sappel maken) (Jiddisch sappel)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1968. De sappel maken,

eene meermalen voorkomende Joodsche uitdrukking in den zin van zich inspannen, hard werken, zich druk maken, naast een wkw. sappelen (hd. zappeln, spartelen, zich onrustig bewegen); vgl. Zoek. 54: Woar mien zuster zich al niet de sappel over moakt!; bl. 147: Kiek die beroerling zich ies de sappel moake; Kalv. II, 175; Heyermans, Ghetto, 25: Dwarskop, wat maak je je de sappel; Nkr. VII, 11 Oct. p. 6: Ik maak me te sappel, ik ben woest, ik ben kwaad; Sabbath, 30; 73; 79; 89; Zoek. 128: De's veur mien sappelen de heele dag da'k as 'n snotneuze deur iedereene in 't gezichte worre eslagen; bl. 138: Hef-ie niet genog veur jullie esappeld soms? Het Volk, 18 Nov. 1914, p. 5 k. 2: Henri Polak schreef mij, hoe zwaar zij daarginds sappelden om nòg een week uitkeering bijeen te harken; Heyermans, Ghetto, 82: Heb ik je niet honderdmaal gewaarschuwd, as-ie uitbleef, as-ie ons alleen liet sappelen; Persl. 167: Voor jou kan me zich dood sappele, as jij thuiskomt is de heeleboel vuil en ondersteboven; Jord. II, 135; Twee W.B. 91; 129; Nkr. VIII, 28 Nov. p. 8; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) p. 388; 455; Handelsblad, 6 Febr. 1918 (A), p. 5 k. 2: Die heeft hard gesappeld voor haar vier kinderen..... Die zelfde afgesappelde ouwe Joodsche memmele, die toch zoo slecht oppaste; Bladen van den Stadsschouwburg I, 84: Och, mensch, maok je niet te sappel; zoolang der nog zuurkool met spek is, is der nog leve; V. Ginneken II, 295 (als term in de diamantslijperij): sappelen (knoeien, knoeiwerk), moeilijk werk verrichten; Köster Henke, 58: sapperen, werken; sappelen, talmen. Vgl. ook de sappeltied (werktijd) in Zoek. 216 en het ww. afsappelen (Zoek. 87).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut