Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sap - (vocht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sap zn. ‘vocht’
Mnl. sap ‘vocht, sap’ [1240; Bern.], Dar vte duwedic dat sap ‘daaruit (uit druiven) perste ik het sap’ [1285; VMNW], worme oec die sijn geuoet ebben niet dan sap allene ‘ook insecten met poten hebben niets dan alleen lichaamsvocht’ [1287; VMNW]. Er heeft ook een variant sop bestaan, onder volksetymologische invloed van → sop, dat in zijn Middelnederlandse betekenis ‘kookvocht, vloeibare spijs’ zeer nabij lag, maar etymologisch niet verwant is. Voor de verbogen vormen met gerekte klinker zie → gezapig.
Nnd. sap, sāp; ohd. saf (nhd. Saft); nfri. sop (samengevallen met sop ‘kookvocht, soep, zeepsop’ < pgm *suppa-, zie → sop); oe. sæp (ne. sap); < pgm. *sapa- ‘sap’. Daarnaast staan de Noord-Germaanse vormen on. safi ‘boomsap’ (nno. save, nzw. sav, save, naast jonger saft, dat aan het Duits is ontleend) < pgm. *safan-. Ook ohd. saf kan hierop teruggaan.
Pgm. *sapa- en *safan- zijn beide te verklaren uit een vroeg-Proto-Germaans paradigma van nominatief *safō, genitief *sappaz, uit voor-Germaans *sapōn, *sapnós (< pie. *sHp-?).
Verwant met Latijn sapa ‘most’, dat wrsch. ook algemener ‘sap’ heeft betekent, op grond van de voortzettingen ervan in de Romaanse talen, bijv. Frans sève ‘sap’, Italiaans sapa ‘ingekookte most’.
De verdere etymologie is onduidelijk. Mogelijk ook verwant met: Illyrisch sabaium ‘bier’; Armeens ham ‘sap’ (< *sap-no-); Sanskrit sabar ‘melk, sap, nektar’. Verband met de wortel pie. *se(h1)p- ‘proeven’ (LIV 519), waaruit onder meer Latijn sapere ‘proeven’, sapor ‘smaak’ en → beseffen, is onwaarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sap* [vocht] {1201-1250} nederduits saft, oudhoogduits saf, oudengels sæp; waarschijnlijk verwant met oudindisch sabar- [sap, nectar] en met sabbelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sap znw. o. mnl. sap (gen. sāpes), zuidnl. zap, mnd. sap (gen. sāpes, sappes), ohd. saf, saph (nhd. saft), oe. sap o. (ne. sap) ‘sap, vocht’. — Men kan vergelijken illyr. sabaium ‘bier’ (ook oi. sabar ‘melk, sap, nektar’?) van een idg. wt. *sab, die naast *sap staat, waarvoor te vergelijken zijn on. safi ‘boomsap’ en nnl. sabbelen; verder lat. sapa ‘sap’, sapiō ‘smaken’, sapor ‘smaak’ (IEW 880).

Het illyrische woord is een zwakke steun voor de vorm met p; daarom is een vroege ontlening aan lat. sapa ‘most’ toch altijd nog te overwegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sap znw. o., mnl. sap o. (gew. gen. sāpes) met s en z (nog zuidndl. zap). = ohd. saf (ff), saph (pf) o. (mhd. ook saft o., nhd. saft m.), mnd. sap (pp) o., ags. sæp o. (eng. sap) “sap, vocht’. Onzeker, maar mogelijk is de combinatie met oi. (vedisch) sabar- (in sabar-dhúk, -dúghâ, epitheta van koeien), dat Sàyana als “melk, vocht, nectar” verklaart. On. safi m. “boomsap” is met lat. sapa “mostsap” verwant. Dat sap enz. uit dit lat. woord ontleend zouden zijn, is niet aannemelijk. [Eer nog is ’t een vervorming van germ. *safa(n)-.] Deze idg. basis sap- is wsch. met die van beseffen identisch (vgl. voor de bet. aldaar arm. ham> *sā̆p-mo-). Ksl. svepetŭ “boschhonig” is wsch. ten onrechte met on. safi, lat. sapa gecombineerd; verwantschap dezer twee woorden met ksl. sosna “pijnboom” (*sap-suâ-) ligt, hoewel onzeker zijnde, meer voor de hand.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sap o., Mnl. id. + Ohd. saf (Mhd. saf, saft, Nhd. saft), Ags. sæp (Eng. sap) + Skr. sabar- = nectar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sap s.nw.
Vog in 'n dier of plant.
Uit Ndl. sap (1602). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Saft (14de eeu), Eng. sap (900). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1920).

Sap s.nw. (histories)
Lid van die Suid-Afrikaanse Party, 'n politieke party van die 1930's.
Letterwoord vir Suid-Afrikaanse Party.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

sap (het), (i.h.b.:) 1. vruchtesap, i.h.b. grapefruitsap. Ha, u neemt er nog eentje, spuugde meneer Groot, ik houd niet van die dames* die alleen maar een soft* of een sap willen (Doelwijt 1972b: 30). - 2. als in AN naam voor suikerrietsap, ook in de samenst. ’diksap’ en ’dunsap’; SN zijn de samenst. ruwsap*, vuilsap*, sapbak*, -goot*, -imbibitie*. - Samenst. van 1: sappers*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sap: (lewens)vog in plante, vrugte, ens., soms ook sop, soos vroeër in Ndl. en Ndl. dial., vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 27 en Kloe HGA 206; Ndl. sap (Mnl. sap), Hd. saft, Eng. sap, misk. verb. m. Lat. sapa, “mos, sap”.

Sap: lettn. v. lid v. die voormalige Suid-Afrikaanse Party; vgl. Nat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sap ‘vocht’ -> Frans dialect essapi ‘uitgedroogd’; Negerhollands sap ‘vocht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sap* vocht 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut