Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

salaris - (bezoldiging)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Zout

“De zee zit barstensvol met jou, maar echt goed smaak je op een eitje”, dichtte Abdelkader Benali in 2003. Jacob Cats kon in 1636 “beter gout, als zout op aerden missen” en de Bijbel stelt kortweg: “Zout is iets goeds” (Lucas 14:34). Het veelgeprezen mineraal dat in de keuken, bij gladde wegen en in de chemische industrie onmisbare diensten bewijst, is ook voor onze taal een smaakmaker.

Sal
In de middeleeuwse encyclopedie Vanden proprieteyten der dinghen van Bartholomeus Engelsman, die in 1485 in Nederlandse vertaling verscheen, wordt een verband gelegd tussen het vurige karakter van zout en de Latijnse woorden sal en salire, die ‘springen’ betekenen: “Sal dat is sout ende is gheseit van saliendo dat is van springen want alsmen soute int viere werpt so springet vten viere wantet vierich is” – dus: ‘Sal betekent ‘zout’; het is afgeleid van saliendo (‘springen’), want als je zout in het vuur werpt, dan springt het uit het vuur, omdat het vurig is.’ Tegenwoordig weten we dat die etymologie onjuist is: het Nederlandse zout, het Latijnse sal, het Duitse Salz en het Engelse salt gaan allemaal terug op één Indo-Europese wortel (het Indo-Europees is de moedertaal van de meeste talen die in Europa worden gesproken).
Typisch voor het Standaardnederlands is dat de klank al zich tot ou heeft ontwikkeld. In de twaalfde eeuw treffen we de oude al-klank aan in Saltkota, letterlijk ‘Zoutkeet’, de naam van een plaatsje in de buurt van Duinkerken, waar in de Middeleeuwen zout werd gewonnen. Inmiddels heet het dorp Zuidkote – kennelijk herkende men dat salt niet meer, en werd het opgevat als windrichting.

Sla en salaris
Het eeuwenlange gebruik van zout bij het kruiden en conserveren heeft tal van culinaire woorden opgeleverd. Het woord salade is eind zestiende eeuw ontleend aan het Frans. Het gaat via het Italiaans terug op het Latijnse werkwoord salare (‘zouten, inleggen’). De betekenis verschoof van ‘gerecht uit groente bereid’ naar ‘groene groente die rauw wordt gegeten’. Met name de verkorte vorm sla heeft deze tweede betekenis aangenomen. Een eigen betekenisontwikkeling vertoont de verkleinvorm slaatje, al in gebruik vanaf 1672 voor ‘koud hartig gerecht met tomaten, komkommer e.d.’ En in De Tijd van 23 november 1897 lezen we: “Sedert eenige jaren plegen de oude robben [zeelieden in een tehuis] te Egmond omstreeks St. Nicolaas te worden vergast op een extra-slaatje en een extra rookertje.” Hier betekent slaatje ‘tabakspruim’. Met het in onbruik raken van zulke pruimen is deze betekenis verdwenen.
Een zoutige oorsprong heeft ook zult (‘gepekelde vleesspijs’). Aan verschillende Romaanse talen hebben we woorden ontleend als salsa (‘scherpe saus’), salami (‘gekruide Italiaanse worst’), saucijsje (‘gezouten worst’, al in 1477 genoemd als salcijsken) en saus, die alle uiteindelijk teruggaan op het Latijnse sal.
In de Romeinse tijd kregen soldaten een zoutrantsoen. Dit salarium werd later ook toegekend aan rondtrekkende ambtenaren. Zo ontstonden de betekenissen ‘bezoldiging aan officieren’ en ‘onkostenvergoeding van ambtenaren’. In het Nederlands, dat het woord ontleend heeft aan het middeleeuws Latijn of het Frans, is de uitgang -ium vervangen door -is. Al in 1282 treffen we in een Vlaamse oorkonde de moderne betekenis aan, in de formule sonder salaris ende sonder enigghen cost: ‘zonder bezoldiging en zonder enige onkostenvergoeding’.

Halogeenlamp
Het met het Latijnse sal verwante Griekse woord hals is via het Zweeds in het Nederlands beland. Op basis van de tweede naamval halos muntte de Zweedse scheikundige Berzelius in 1742 de samenstelling halogeen, letterlijk ‘zoutvormend’. Hiermee duidde hij een groep elementen aan die bij aanraking met metaal zouten vormen. Het woord halogeen is populair geworden in de samenstelling halogeenlamp. In deze lampen bevindt zich een halogeen element, bijvoorbeeld broom, dat met metaaldamp van de gloeidraad reageert. Van het aldus ontstane metaalzout slaat vervolgens het metaal weer op de gloeidraad neer, waardoor de levensduur van de lamp wordt verlengd.

Zoutpilaar
Zout komt ook voor in allerlei uitdrukkingen. Bijbels van oorsprong is als een zoutpilaar erbij staan: ‘verstijfd blijven staan’. De vrouw van Lot veranderde in een zoutpilaar toen ze op de vlucht voor de verwoesting van Sodom en Gomorra tegen Gods verbod in toch omkeek (Genesis 19:26). Elders in de Bijbel blijkt hoe kostbaar zout in het verleden was, getuige de gevleugelde uitdrukking Gij zijt het zout der aarde (Matteüs 5:13).
Het zout in de pap (‘datgene wat iets de moeite waard maakt’) is ontstaan als een omdraaiing van geen zout in de pap verdienen (‘heel weinig verdienen’). Een Indische variant wordt aangetroffen in de Java-bode van 22 oktober 1875. In een ingezonden brief wordt opgemerkt dat in Magelang geen behoefte bestaat aan een nieuwe onderwijzeres: “Die mejufvr. uit Rembang zou niet alleen hier geen bestaan vinden, doch geen zout met rijst verdienen, op zijn Hollandsch uitgedrukt geen zout in de pap.”
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Zout’, in: Onze Taal 5, 130.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

salaris zn. ‘bezoldiging’
Mnl. salaris ‘bezoldiging’ in sonder salaris ... ende sonder enigghen cost ‘zonder bezoldiging en zonder enige onkostenvergoeding’ [1282; VMNW], ook solaris [1299; VMNW], salarijs [15e eeuw; MNW].
Rechtstreeks of via Frans salaire ‘geldelijke vergoeding voor werkzaamheden’ [ca. 1260; TLF] ontleend aan middeleeuws Latijn salarium ‘id.’, betekenisuitbreiding van ouder ‘toelage om zout te kopen’ en daarvoor ‘zoutrantsoen’. Dit is via het bn. salārius ‘met betrekking tot zout’ afgeleid van sāl ‘zout’, dat verwant is met → zout. De uitgang -is voor Latijn -ium komt in andere talen die dit Latijnse woorden hebben ontleend niet voor. Mogelijk trad hier hetzelfde verschijnsel op als bij de typisch Middelnederlandse uitgang -is van aan het Latijn ontleende eigennamen en beroepsnamen op -ius, bijv. mnl. Antonis, Cornelis, Macharis uit Latijn Antonius, Cornelius, Macharius, en → commissaris, → notaris, → secretaris uit Latijn commisarius, notarius, secretarius. Zaaknamen met Nederlands -is uit Latijn -ium zijn echter zeldzaam en veel jonger, bijv. vnnl. dictionaris ‘woordenboek’ uit Latijn dictionarium ‘id.’, zie → dictionaire. Een andere verklaring voor de uitgang van salaris is dat de Latijnse datief meervoud salariis ‘voor een salaris (van)’ uit oorkonden werd overgenomen; de Middelnederlandse spelling salarijs wijst er inderdaad op dat de i in de laatste lettergreep lang was.
Romeinse soldaten kregen een zoutrantsoen als ze onderweg waren. Later gold dat ook voor rondtrekkende ambtenaren. Van daaruit ontstonden de betekenissen ‘bezoldiging van officieren’ en ‘onkostenvergoeding van ambtenaren’. Vanaf ca. 150 na Chr. krijgt het de betekenis ‘jaarsalaris’.
Het woord wordt in het Middelnederlands ook vaak geschreven met beginlettergreep so-; wellicht associeerde men het met de Latijnse muntnaam solidus, waarvan de afkorting sol ook in de Lage Landen nog lang als symbool voor de schelling werd gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

salaris [bezoldiging] {salari(j)s 1282} teruggaand op latijn salarium [zoutrantsoen, salaris], van sal [zout]; de betekenisovergang van ‘zout’ naar ‘wedde’ is te verklaren uit het feit dat vroeger, en in Afrika zelfs nu nog, gestandaardiseerde hoeveelheden zout als betaalmiddel fungeerden, zo ook bij de Romeinen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

salaris

Het Latijnse woord sal betekent: zout. Het bijvoeglijk naamwoord, daarvan afgeleid, is: salarius en heeft dus de betekenis: het zout betreffende. Daarvan werd weer een zelfstandig naamwoord gevormd: salarium, waarmee men aanduidde: het rantsoen zout dat aan de soldaten werd uitgedeeld. De salaria waren ook de inkomsten die de zoutpacht opleverde en zo komen wij op het gebied van de financiën. Men ging het woord ook bezigen voor uitkeringen die niets met zout te maken hadden en zo ontstond de betekenis: loon. Met dit verschil evenwel dat salaris nimmer wordt gebruikt voor weekloon, maar alleen voor: jaarloon. Iets van de deftige afkomst uit het Latijn is dus nog wel overgebleven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

salaris znw. o., mnl. salarijs, solarijs m.o., met gewijzigde uitgang < fra. salaire of < lat. salarium ‘soldij’, sedert de keizertijd ‘bezoldiging van de officieren’, maar oorspr. ‘de hoeveelheid zout, die aan de soldaten toebedeeld werd’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

salaris znw. o., mnl. salarijs, solarijs m. o. Met gewijzigden uitgang òf uit fr. salaire òf uit lat. salârium (oorspr. = “zout-geld, geld voor zout”).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

salaris s.nw.
Betaling, gewoonlik 'n vaste bedrag op 'n maandelikse basis, vir diens deur 'n werknemer gelewer.
Uit Ndl. salaris (eerste optekening in Die Bybel, waarna in 1622). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. salaris via Fr. salaire uit Latyn salarium 'soutrantsoen, salaris'. Gestandaardiseerde hoeveelhede sout word vandag nog as betaalmiddel in sommige dele van Afrika gebruik.
Eng. salary (1377).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

salaris (Latijn salarium)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

salaris ‘bezoldiging’ -> Fries salaris ‘bezoldiging’; Indonesisch salaris ‘bezoldiging’; Sranantongo sâlares ‘bezoldiging’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

salaris bezoldiging 1282 [CG I1, 639]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut