Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-s - (bijvoeglijk en bijwoordelijk achtervoegsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-s 1 bijvoeglijk achterv.
Onl. -sk, -sc in himilisc ‘hemels’, entisc ‘oud’, ēuuisc ‘eeuwig’ [alle 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. -sc, -sch, -s in ualsche orconscepe ‘valse getuigenis’ [1237; CG I], vlamsce peneghe ... ende parisise. ende inghelse ‘Vlaamse penningen en Parijse en Engelse’ [1240-60; CG I].
De bijvoeglijke -s is klankwettig via -sch ontwikkeld uit Proto-Germaans *-sk-, zie in → as 2 ‘verbrandingsrest’ < onl. aska. Hij komt vooral voor achter zelfstandige naamwoorden, bijv. in aards, boers, → diets, doods, hemels, honds, → hoofs, → wulps, in enkele samengestelde bijvoeglijke naamwoorden, bijv. goedgeefs, hardleers, → ouderwets, en is productief in combinatie met plaats- en volksnamen, bijv. in Brabants, Hollands, Brussels, Fins, Chinees, Amerikaans, soms met aanpassing van het grondwoord zoals in Gronings, Antwerps, Frans, Engels. Woorden van deze laatste categorie duiden bij zelfstandig gebruik talen of dialecten aan.
In de andere Germaanse talen luidt deze bijvoeglijke uitgang: os. -isc (mnd. -es, -esch); ohd. -isc (nhd. -isch, soms -sch); ofri. -isk (nfri. -sk); oe. -isc (ne. -ish); on. -iskr; got. -isks; < pgm. *-iska-. In het Nederlands is de onbeklemtoonde -i- in het achtervoegsel al vroeg weggevallen. Het achtervoegsel → -isch in bijvoeglijke naamwoorden van vreemde herkomst verschijnt in het Nederlands pas vanaf de 16e eeuw en is overgenomen uit het Hoogduits.
Verwant met: Litouws -iškas; Oudkerkslavisch -ĭskŭ; beide met dezelfde functie als in het Germaans; Grieks -ískos vormt verkleinwoorden.
De gebruikelijke Middelnederlandse spelling van de bijvoeglijke -s is -sc of -sch, maar in grote delen van het Nederlandse taalgebied was de uitspraak in de auslaut toen al /s/ (Schönfeld 1970, par. 82). Het West-Vlaams heeft in de inlaut de -sch of sk-uitspraak bewaard, bijv. Vlaamsche. In Frans-Vlaanderen is de -sch zelfs in de auslaut bewaard, bijv. Vlamsj. In het Vroegnieuwnederlands kwam ook de spelling -s al veel voor. De spelling -sch heeft zich nog zeer lang gehandhaafd, werd systematisch gebruikt door de spelling-Siegenbeek, de spelling-De Vries en Te Winkel en werd pas met de spelling-Marchant van 1934 in Nederland en vervolgens met de officiële spellingwijziging in België en Nederland van 1946/1947 afgeschaft. De bijvoeglijke -s(ch) viel in het Nederlands samen met de bijwoordelijke → -s 2. Daar waar een bijwoord op -s bijvoeglijk wordt gebruikt, was de voormalige spelling met -sch dus kunstmatig, bijv. in hedendaagsche samenleving.
-se vero. achterv. ter aanduiding van vrouw uit een bepaalde plaats of van de vrouw van een beoefenaar van een bepaald beroep. Nnl. Kosterse ‘vrouw van de koster’ [1693; iWNT wagen III]; nnl. kasteleinske ‘vrouw van de kastelein’ [1836; iWNT], doktersche [1920; iWNT -sch]. Afleidingen van plaatsnamen met dit achtervoegsel zijn zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden met -s, Amsterdamse, Engelse. Later is -se ook achter mannelijke persoonsnamen gezet, zoals in dokterse e.d., maar dit is niet algemeen.
Lit.: M. Mooijaart (1991), ‘Morfologische verandering in het Nederlands van de dertiende tot de zeventiende eeuw - de vorming van vrouwelijke persoonsnamen’, in: ABäG 33, 193-213; Van der Sijs 2001, 172-174

-s 2 bijwoordelijk achterv.
Onl. els ‘behalve’ [ca. 1100; Will.] (mnl. el(s)); mnl. altoos (< *al-toge-s) ‘altijd’, anders ‘op een andere manier’ [beide begin 13e eeuw; VMNW].
De bijwoordelijke -s is oorspr. een genitiefuitgang. De genitief van naamwoorden en voornaamwoorden kon in het Germaans gebruikt worden als aanduiding voor plaats of tijd of modaliteit, bijv. in → anders, → daags, → rechts, → slechts, → soms, → zelfs. In de versteende bijwoordelijke bepalingen voor dagdelen en weekdagen, bijv. 's morgens < des morgens en 's woensdags < des woensdags is de genitief door het lidwoord nog goed herkenbaar. Omdat deze genitieven met bijwoordelijke functie zo vaak voorkwamen, groeide de uitgang -s uit tot een bijwoordelijk achtervoegsel, dat in de loop van de tijd op allerlei manieren gebruikt kon worden (Schönfeld 1970, par. 194): achter reeds bestaande bijwoorden (zie bijv.ergens, → elders, → immers, → trouwens), achter het verkleiningssuffix (bijv. in dunnetjes, fijntjes, warmpjes, zachtjes), bij voorzetselverbindingen (zie bijv.achterbaks, → telkens, → terloops, → tevens), bij deelwoorden (zoals in doorgaans, onverhoeds, vergeefs, vervolgens, willens, zie → willen). Sommige van deze bijwoorden zijn later (ook) voorzetsel geworden, bijv.jegens, → langs, → volgens.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† -s[ch] suffix, mnl. -sc, ohd. -isc (hd. -isch > ndl. -isch: zie ald. Suppl.), os. ags. -isc (eng. -ish), ofri. -isk, on. -(i)skr, got. -isks, germ. -iska- = gr. ískos (demin. paidískos bij pai͂s, paidós ‘kind’), lat. -iscus (mariscus ‘mannelijk’ bij mâs, maris ‘man, mannetjesdier’). Lit. -iškas, obg. -ĭskŭ, zijn wellicht aan het Germ. ontleend, of, indien zij vanouds inheems zijn, in gebruik door het germ. suffix geïnfluenceerd.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut