Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruw - (onbewerkt, ruig; globaal)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rouw II bnw. = ruw.

ruig bnw., mnl. ruuch “ruig, ruw” is de klankwettige nominatief van den stam *rûχa-, terwijl mnl. (rou) “id.” (nnl. ruw, rouw) bij de verbogen casus met klankwettigen wegval van h< χ en met w als overgangsconsonant is gevormd. De g van de verbogen casus kwam op naar analogie van stammen op -ʒa-, waarvan de nomin. enk. met χ, de andere casus met ʒ gesproken werden; vgl. hoog. = ohd. rûh (nhd. rauh), mnd. , rûch, rûw, ags. rûh (gen. rûges e.dgl. vormen zijn als de ndl. vormen met g te beoordeelen; eng. rough) “id.”. Hierbij de substantiva mhd. riuhe, rûhe v. “pelswerk” (= ags. rŷe), os. rûwi v. “(hispida) lanugo”, ags. rûwa m. (de w is overgangsconsonant na den h-wegval) en rŷhæ, rŷe (verbogen rêon), rêowe v. “deken, kleed”, on. v. “id.”. Het is niet noodig χw inplaats van χ aan te nemen. Mogelijk is χw echter wel. Met gramm. wechsel os. rûgi v. “ruig vel, deken”. Verwant zijn lit. raukiù, raũkti “rimpelen”, oi. rûkṣâ- “ruw, dor, wrevelig”; sommigen combineeren hiermee nog ier. rucht “varken”, rukánē “schaaf”, lat. runco “ik wied”, oi. lun͂-cati “hij rukt uit, plukt uit, pelt”; zie echter rukken. Got. inrauhtjan “toornen” is mogelijk met de oorspr. bet. “ruw zijn” (niet “ ’t voorhoofd rimpelen”) met ruig enz. verwant.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

rouw, bn.: ruw. Var. van ruw, zoals douwen ‘duwen’, grouwen ‘gruwen’, Vnnl. houwelick ‘huwelijk’. Afl. rouwigheid ‘schorheid’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

rouw, bn.: ruw. Var. van ruw, zoals douwen ‘duwen’, grouwen ‘gruwen’, Vnnl. houwelick ‘huwelijk’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ru b.nw.
1. (bv. t.o.v. 'n pad) Ongelyk, nie glad nie. 2. (bv. t.o.v. 'n diamant) Nog nie afgewerk nie. 3. (bv. t.o.v. 'n skildery) Voorlopig, onafgewerk. 4. (bv. t.o.v. die see) Stormagtig. 5. Onbeskaaf, onverfyn.
Uit Ndl. ruw (Mnl. ru, ruw). Ru word in die spreektaal in al die bet. in 'n mindere of meerdere mate deur rof verdring. Mnl. ru, ruw het ontwikkel uit ruug deur wegval van die konsonant. In Ndl. is een van die bet. van ruw nog 'ruig, harig'.
Vgl. rof.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rou III: (soms nog) oneffe, ongelyk; grof, ru; hou verb. m. Ndl. ruw en ruig (Mnl. rū/ruuch/rou), Hd. rauh en Eng. rough.

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

ruw-

Er wordt soms bezwaar gemaakt tegen enkele samenstellingen van ruw- met een substantief:

a. Ruwbouw

Ruwbouw wordt door enkele puristen als een germanisme (D. ‘Rohbau’) beschouwd voor ‘romp, geraamte, buitenwerk, ruw metselwerk’.

In de woordenboeken heeft het woord nog niet veel succes: de meeste vermelden het niet. Van Dale en Koenen aanvaarden het echter als correct Nederlands. Ruwbouw wordt trouwens zowel in het Noorden als in het Zuiden gebruikt. Men vindt het vaak in advertenties van het type:

‘aannemer voor ruwbouw gevraagd...’ (Het Laatste Nieuws, 9.10.72, p. 30)

b. Ruwmateriaal

Deze samenstelling wordt eveneens door de puristen als een germanisme (D. ‘Rohmaterial’) afgekeurd voor ‘onbewerkt materiaal, grondstof, ruw materiaal’.

Het schijnt niet zeer gebruikelijk te zijn want geen enkel woordenboek heeft het opgenomen.

c. Ruwstof

Dit is waarschijnlijk het minst gebruikelijke van de drie samenstellingen met ruw-. Men vindt het slechts in Van Dale, die het als een germanisme (D. ‘Rohstoff’) afkeurt voor ‘onbewerkte stof’. In het Duits heeft ‘Rohstoff’ vooral de betekenis van ‘grondstof’.

Conclusie:

Hoewel er geen bezwaar gemaakt wordt tegen o.a. ruwdoek, -ijzer, -koper, -staal, aanvaardt het Nederlands blijkbaar niet zoveel samenstellingen met ruw- als het Duits met Roh-: ‘Rohdiamanten’ zijn in het Nederlands nog steeds ‘ruwe diamanten’.

De enige van de 3 besproken samenstellingen van ruw- met een substantief die men misschien als ingeburgerd mag beschouwen, is ruwbouw, dat meestal als terminus technicus in het bouwwezen gebruikt wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruw ‘ruig’ -> Deens ru ‘ruig, hees’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ru ‘ruig’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands rauw ‘ruig, hard, grof’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut