Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rut - (platzak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rut bn. ‘alles verloren hebbend’
Vnnl. rut ‘nietig’ in Het volck is weynich, haer macht is rut [1573; iWNT]; nnl. rut ‘alles verloren hebbend, arm’ in Hy is Rut. Dit zegt men van ymand, die geheel kaal en berooit is, en niets meer heeft [1726; iWNT]. Misschien hetzelfde woord als in mnl. Rut en Roy ‘arm volk, schorriemorrie, gepeupel’ [ca. 1482; iWNT].
Herkomst onbekend. Mogelijk een affectieve bijvorm van rot ‘bedorven’, zie → rotten, of ontleend aan Italiaans rutta ‘platzak, failliet’ [begin 14e eeuw], zie → bankroet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rut1* [platzak] {1573} is vermoedelijk van dezelfde herkomst als ruit3 [schurft].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

rut

Men zegt van iemand dat hij rut is, als hij, in het bijzonder bij het spel, al zijn geld verloren heeft dus: blut is. Zo betekent rut in het algemeen: niets bezittend, berooid. Het woord komt al voor in een zestiende-eeuws Geuzenlied, waar gezegd wordt: Het volck is weynich, haar macht is rut. Daar heeft het woord kennelijk de betekenis: waardeloos, nietig, gering. De oorspronkelijke betekenis is: schurft, vandaar: mensen die schurft hebben, volk van laag allooi, schorrimorrie, mensen die niets ter wereld bezitten, armoedzaaiers. Rut zijn is dan: behoren tot de groep der armsten, geen cent op zak hebben. Deze verklaring verdient de voorkeur boven die volgens welke wij in deze uitdrukking te maken hebben met de bijbelse Ruth, die arm was.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rut 2 bnw. sedert 1573 bekend, met dial. bijvormen rutte, ruttes, ruts, rits. Verbinding met het 16de eeuwse rut en roy (zuidnl.) ‘schorrimorrie’ helpt niet verder. Misschien een affectieve bijvorm bij rot?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rut [zijn]. Dial. ook ruts, rös. De combinatie met 16.-eeuwsch rut en roy “schorrimorrie” en verder met ruit III is niet heel wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rut, sedert 1573.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rut bijv.(in 't spel), dial. rutte, ruts, rits, rus: zullen wel Bargoensche vormen zijn van rood, ros, daar rood in 't Barg. = geruïneerd; ook Fr. Barg. être rousti = rut zijn.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1965. Rut zijn,

d.i. berooid zijn, geen geld meer hebben; alles in het spel verloren hebben (zie no. 264); robbie, lut, luts (Waasch Idiot. 415 a; Fri. Wdb. II, 137 b) zijn; blek zijn (Rutten, 31); kabs (Köster Henke, 29); kweps zijn (V.d. Water, 101); loste zijn (Köster Henke, 41); mol zijn (Antw. Idiot. 829; Ndl. Wdb. IX, 1020). Vgl. Tuinman I, 3: ‘Hy is rut. Dit zegt men van ymand, die geheel kaal en berooit is, en niets meer heeft’; Jord. 263: rutje zijn; bl. 420: rut zijn; Bouman, 91: hij is rutje; De Bo, 963 b: rut, adj. die al zijn geld afgespeeld is; Antw. Idiot. 1051; Waasch Idiot. 564 b; Schuermans 563 a: rut, ruts, rutte als bijv. gebr. in rut zijn, d.i. alles kwijt zijn, alles in het spel verloren hebben; Bijv. 273: iemand rös spelen, maken, iemand alles afwinnen; hij is rös, hij heeft alles verloren; Onze Volkstaal II, 143: ik bin ruts (te Aardenburg); Volkskunde XI, 162: ruttebeurs zijn, platzak zijn; Loquela, 424: rut, schaarschheid, krotte; ruttes, rut; V. Schothorst, 492: rut, lens. Het is niet onmogelijk, dat we in dit ‘rut’ hetzelfde woord moeten zien als in rut (en roy), dat we in de 16de eeuw bij De Roovere lezen in den zin van arm, gemeen volk, schorrimorrieTaal- en Letterbode III, 297., en bij Van Lummel, 166: Het volck is weynich, haer macht is rut (nietig). De oorspronkelijke bet. schijnt te zijn die van schurft, vandaar schurftig volk, schorrimorrie, en als adjectief schunnigDit schunnig wordt wel in verband gebracht met het gron. schin(ne), roos op het hoofd. Zie verder Franck-v. Wijk, 604., armoedig, kaal, berooid; vgl. het Z.-Limb. ich bin schoep, d.i. rut, naast het wkw. schoebbe, schobben, schurken (Kil. scobbe, scabies, scurra); het hd. Räude, ons ruit, rui (schurftFranck-v. Wijk, 564; Bouman, 90: ruiterig, rappig, jeukerig, schurftig.), mnl. rude, vl. ruide, het 17de-eeuwsche ruy, gemeen volkOudemans V, 909., fri. rap en rût; het 16de-eeuwsche roy, eene ziekte, waarschijnlijk schurftVgl. Dagboek van Jan de Pottre, 48: van roye ende ander siecten; voor de afwisseling van oy en uy zie Taal- en Letterbode IV, 40-41; Tijdschr. 40, 140 en voor de vocaal het zndl. rut, gesnap, praats, drukte, naast ruiten, babbelen, mnl. ruten; wellicht ook het 16de-eeuwsche berut (zie Everaert, 116, vs. 406), dat men in verband wil brengen met een wkw. beruiten (berooven), evenals berooid met een wkw. berooien (eig. berooven). Daar evenwel nergens een wkw. beruiten evenmin als berooien is aangetroffen, zou men kunnen vragen of we in berut en berooid niet eene afleiding moeten zien van rut en rooi (vgl. Everaert, 481: ramp ende roy), zoodat beide bijv. naamww. dan oorspr. scabiosus (vgl. hd. schäbig) zouden beteekenen (vgl. bij Stallaert I, 190: beruit, ruidig, schurftig). Zie evenwel Tijdschrift XV, 324; Mnl. Wdb. I, 973; Franck-v. Wijk, 52., en onze uitdr. Jan Rap, het gepeupel, fr. rapaille, vroeger ook Jan Rappig, welk rap eveneens ook schurft beteekentZie Kiliaen: Rappe, scabies; rappigh, scabiosus, scaber; Plaiz. Kyv. 136; rappig en slecht volkje; Boekenoogen, 811: rapperig, slordig, oud; rapzakken, Jan Rap en zijn maat; Antw. Idiot. 1015: rap, puist, vooral in het aangezicht of het hoofd; rap en rui(g), schurftig volk; Claes, 198: rap, roof eener wonde; hd. rappe, uitslag; De Jager, Frequ, II, 1185; Franck-v. Wijk, 535; fri. skurf, haveloos, schelmsch, gemeen., waarvan rappig, schurftig (Bouman, 87) en het znw. rapaert (A. Bijns, Nw. Refr. 104); zie no. 1020Harrebomée II, 235 verklaart rut voor identisch met de bijbelsche Ruth, die arm was. Zie ook Zeeman, bl. 427..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut