Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rus - (bies)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rus2* [bies] {in de vroegere Zeeuwse boerderijnaam Rusgefleta <1174>, rusch 1494} middelnederduits rusch, risch, middelhoogduits rusch(e), oudengels risc, rysc (engels rush); buiten het germ. latijn restis [touw, strop], litouws režgis [mand, vlechtwerk], oudindisch rajju- [touw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rus 1 znw. m. o. naam van biezenfamilie, laat-mnl. rusch, Kiliaen rusch (Sax. Fris.), mnd. rusch m., mhd. rusch, rusche v., ne. rush, — Daarnaast abl. mnd. risch, oe. risc, risce, resce, ricse. — Van idg. wt. *rezg ‘vlechten, binden’, vgl. oi. rájju v. ‘strik, touw’, lat. restis (< *rezgtis) ‘touw’ = olit. rekstis ‘korf’ bij het ww. lit. rezgù, rèksti ‘vlechten, binden’, osl. rozga ‘twijg, roede’, (IEW 874).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rusch znw., door Kil. “Sax. Fris.” genoemd, sedert ’t laat-Mnl. = mhd. rusch, rusche v., mnd. rusch m., eng. rush, noorw. dial. rusk m. “bies”. Wordt wel afgeleid uit lat. ruscus “muisdoorn” of uit ofr. rusche “riet, bies” (naast rousche): beide onaannemelijk, ’t Kan echter heel goed bij ruisen hooren evenals wellicht roer III. Ook kan ’t ablauten (ru> idg. re) mel mnd. risch, ags. risc (m. v.?), risce, resce, ricse v. “bies”, die verwant zijn met lit. rezgù “ik brei”, re͂zgis “gevlochten voorwerp, mand”, oi. rájju- “touw”, lat. restis (*rezg-ti-) “id.”, — als we tenminste voor de germ. vormen met i oorspr. e-vocalisme mogen aannemen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] rusch. Ags. risc is v.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rus[ch]. Ablaut met mnd. risch enz. is aannemelijk; wellicht heeft ags. resce umlaut van a, hoewel elders in het Germ. geen overtuigende a-vormen zijn aan te wijzen (fri. dial. rasken ‘russen’ — W.de Vries Tschr. 38, 301 — zal wel een jonge vervorming zijn). Een ander woord is mnl. rusch, rosch, resch, risch m. ‘kluit aarde, graszode’ (nog zuidndl.), mnd. rusche (ŭ, û?) ‘bevroren stuk aarde’. Als we het nogal veel voorkomende e-, i-vocalisme als ontrondingsproduct uit u mogen beschouwen, kan dit woord een afl. zijn van de basis idg. *rū̆s-, die bij rul en rooien II besproken wordt. Uit het Germ. zijn dan het naast te vergelijken on. ryskja ‘rukken’, zw. ruska, de. ruske ‘id.’, noorw. rusk ‘afval, stof’. Zie ook nog reuzel. Een andere mogelijkheid is, dat het zich aansluit bij de onder ruit III en Suppl. besproken woorden ohd. (h)roso m., (h)rosa v. ‘korst, ijs’, ags. hrûse v. ‘aarde, grond’ enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rusch m. en v., + Ndd. rusk, risch, Hgd. rausch, rusch, risch, Ags. rysce, risc (Eng. rush) + Skr. rajjus, Lat. restis = touw, Lit. rēzgis = vlechtwerk.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Rus (trek), Juncus squarrosus
Juncus: voor de hand liggend is het woord juncus te verbinden met het Latijnse jungo dat verbinden betekent. Dit soort planten werd veel gebruik voor allerlei vlechtwerk.
Squarrosus: de bladeren groeien in stijve pollen en de bloeiwijze en de stengel staan stijf rechtop.
Trekrus: wat het woord ‘rus’ betreft wijst men naar verwante woorden in de talen uit onze omgeving en naar het begrijpen ervan naar het Latijnse ‘retis’ of ‘touw’. Vermoedelijk heeft de Nederlandse naam ‘Trekrus’ te maken met het feit dat deze rus echt als in een kring ‘rondtrekt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rus* bies 1174 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut