Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rups - (larve van een vlinder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rups zn. ‘larve van een vlinder’
Mnl. rupsene ‘rups’ [1240; Bern.], .i. worm die ... rupsenen eetent in onse tale ‘een insect ... dat noemen ze rupsen in onze taal’ [1287; VMNW], ruupsen ‘rupsen’ [ca. 1425; MNW]; vnnl. rupse ‘rups’ [1573; Thes.]. Daarnaast staat de vorm mnl. rupe, zoals in In sine colen vant hi vele rupen Sijn cruut eten ende dorcrupen ‘in zijn kolen vond hij veel rupsen die zijn gewas opaten en erdoor kropen’ [1300-25; MNW-R]; nnl. dial. ruip, roepe.
Het woord komt voor in het gehele continentaal-West-Germaanse taalgebied. In de dialecten heeft het vele vormvarianten, o.a. met korte of lange -u-, met korte of lange -i- (bijv. rijp), met en zonder -s-. Boutkan/Kossman (1998) onderscheiden maar liefst negen protovormen, maar kunnen deze vormvariatie en in het bijzonder de -p- niet op Indo-Europees niveau verklaren en concluderen dat deze woorden moeten zijn ontleend aan een onbekende Noordwest-Germaanse substraattaal. De Vaan (2000) toont echter op grond van de dialectgeografie aan dat een Indo-Europese etymologie wel degelijk mogelijk is. De oorspr. vorm is dan *rūpō, met representaties in vrijwel het gehele Nederlandse, Friese en Duitse taalgebied ten noorden en ten oosten van de Rijn, waarbij men voor Hoogduits Raupe en dialectvarianten moet uitgaan van ontlening aan het Nederduits. Alle andere vormvarianten kunnen volgens De Vaan verklaard worden door lokale klankontwikkelingen en door volksetymologische invloeden van andere woorden. Zo is de -s- in de Nederfrankische vormen rupse, reupse, rüpse, ripse, repse (Limburgs, Vlaams en Brabants, en vandaar in de standaardtaal) ontstaan onder invloed van de werkwoorden mnl., vnnl. en nnl. dial. ripsen, rupsen, repsen ‘boeren, braken’ (nnl. met metathese oprispen), dat in het betreffende taalgebied in grote lijnen dezelfde geografische klankvariatie heeft als de naam voor de rups. Men moet daarbij denken aan de typische manier van voortbewegen van de rups, die doet denken aan de bewegingen van de slokdarm en/of adamsappel bij boeren en braken (De Vaan 2000: 160).
Mnd. rūpe; ohd. rūpa, rūppa (nhd. Raupe, dial. roppe); nfri. rûp; < pgm. *rūpō- ‘rups’. De rups zou genoemd zijn naar zijn borstelige uiterlijk; het woord is dan verwant met: nfri. rûpert ‘ruigbehaard dier’, nhd. dial. rupp ‘ruigbehaard’, en verder met het continentaal-West-Germaanse erfwoord *ruppōn ‘plukken’, waarvoor zie → ruif.
Lit.: D. Boutkan & M. Kossman (1998), ‘Etymologische Betrachtungen zur Dialektgeographie von Raupe, Rups’, in: ABäG 50, 5-11; M. de Vaan (2000) ‘Reconsidering Dutch rups, German Raupe “caterpillar”’, in: ABäG 54, 151-174; J.B. Berns (2000), ‘“Rupseme hetet in onse tale”: Van ruip en rups’, in: S. Gillis e.a. (red.), Met taal om de tuin geleid, Antwerpen, 19-24

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rups* [vlinderlarve] {ru(u)pse, rupsene, rupseme 1201-1250} verwant met oudsaksisch ropian, oudhoogduits roufen, gotisch raupjan [plukken, rukken]; het dier is dus zo genoemd vanwege het kaalvreten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruip znw. v. m., dial. vorm van rups, vgl. mnl. rûpe, ruype, mnd. rūpe, ohd. rūpa (nhd. raupe).

rups znw. v., mnl. rupse, ruupse, rupsene, rupseme v., Kiliaen rupse, rupsene, ruepsene. Daarnaast met andere klinker: Kiliaen rispe, nnl. dial. rispe, risp, ripse, rips, vla. ripsem(e), ripsene, veluws rîps. — Naast beide staan vormen zonder s: enerzijds ruip, anderzijds fri. dial. ryp.

Voor de etymologie kan men het best van de vormen met û uitgaan. — 1. Genoemd naar het vraatzuchtige knagen van de rups, dan verband met roppen en roven. — 2. Als het borstelige dier en dan volgens Kluge-Mitzka 587 te verbinden met rob 1. Maar lang niet alle rupsen zijn behaard. — Of men de vorm met i op een andere wortel mag terugvoeren en wel op die van repel en rijp 4 (W. de Vries Ts 38, 1919, 300), is zeer te betwijfelen; eerder is te denken aan jongere affectieve klankvarianten (zie J. de Vries PBB 80, 1958, 13-14).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rups znw. Kil. rupse, rupsene, ruepsene, mnl. rupse, ruupse, rupsene, rupseme v., de laatste twee vormen nog vla. Staat tot mnl. rûpe (nog dial., o.a. Kampen, Achterh., Bommelerwaard) als Kil. rispe, nnl. dial. (zuid- en noordndl. zeer verbreid) risp(e), rips(e), vla. ripsem(e), ripsene, vel. rîps tot nnl. (N.Holl.) rijp (niet bij Kil.), fri. dial. (noordelijke visschersdorpen) ryp. Mnl. rûpe v. = ohd. (oorspr. ndd.?) rûpa (nhd. raupe), mnd. rûpe v., fri. rûp “rups”, waarnaast du. dial. ruppe, roppe “id.”. Oorsprong onzeker. = obg. ryba “visch” (zie bij rob)? Of bij mnl. rôpen “afrukken, uittrekken”, ohd. roufen (nhd. raufen) “plukken, rukken”, os. rôpian (in be-rôpta “sparsis capillis”), ags. rîepan “uitplunderen”, got. raupjan “plukken”? [Dit germ. rup-, raup- is niet wel te scheiden van de bij roof I besproken basis: wellicht is ’t een jongere, hoe-dan-ook ontstane variant hiervan.] Of de ndl. vormen met ī̆ (rijp, rips) in eenige genetische betrekking tot die met ū̌ staan, is onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rups. Bij germ. rup-, raup- in mnl. rôpen enz. ook de intensiefformatie mnl. roppen ‘rukken, plukken’ (nog dial. zeer verbreid), fri. ropje, roppe ‘plukken (veren uittrekken), verscheuren, verslinden’, mnd. roppen, mhd. nhd. rupfen ‘rukken (en dgl. bett.)’. Kil. vermeldt ruppen = eng. to rip. Voor een reeds idg. variant met b naast de p in de familie van roof zijn lat. rubus ‘braamstruik’, rubêta ‘padde’ slechts een zwakke steun. Daarom is het waarschijnlijker dat germ. rup-, raup- een jonge variant is naast rauf- (in roof I en verwanten), wellicht opgekomen door kruising met een synonieme woordgroep; W.de Vries Tschr. 38, 300 denkt aan die van de bij repel en rijp III besproken germ. wortel rī̆p-: mogelijk, maar onzeker. Wanneer evenwel de combinatie van de ndl. ū̆-vormen voor ‘rups’ met mnl. rôpen enz. juist is, kunnen de ī̆-vormen bij dit germ. rī̆p- behoren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rups v., Mnl. rupse(ne), met bijv. dial. en Kil. rispe, beide met sp uit ps, van Nndl. rijp, Mnl. rupe + Ohd. rupa (Mhd. rupe, Nhd. raupe): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ruspe s.nw. Ook rusper.
Larwe van 'n mot of skoenlapper.
Uit gewestelike Ndl. ruspe (1608). Onder Ndl. rups (al Mnl.) meld die WNT dat in S.Ndl. ook o.a. ruspel en daarnaas rusp(e) voorkom. Die oudste sitaat met ruspe dateer uit 1608 (WNT). Reeds by Van Rie-beeck (1651 - 1662) in die vorm risp(e), waarna eerste optekeninge in Afr. by Changuion (1844), by Mansvelt (1884) in die vorme risper en rusper, by Kern (1890) en in Patriotwoordeboek (1902). Pannevis (1880) gee alleen ruspe. Volgens die WNT is risp(e) voorheen en nog in 1924 'n gebruiklike woord in verskillende N.- en S.Ndl. dialekte. Sowel rusp(e) as risp(e) is in vroeë Afr. gebesig, en hulle het as wisselvorme naas mekaar bestaan.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. in die vertaling van Sparrman se Reize as rups (1786) en vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorme risper (1906) en ruspe (1930).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rusper: inseklarwe; afl. m. -(e)r v. Ndl. rups (ouer rupse, soos in Mnl. naas ruupse/rupsene/rupseme, by Kil rupse/ru(e)psene), SNdl. dial. met metat. rusp(e) en met ausl. -l (ruspel/rupsel) naas rips(e)/risp(e); NNdl. dial. o.a. rijp; in oostelike dial. roep teenoor ruip in westelike dial.; Hd. raupe, hoofs. Germ., maar herk. onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rups ‘vlinderlarve’ -> Frans dialect † rispe ‘vlinderlarve’; Zuid-Afrikaans-Engels rusper ‘benaming voor schadelijke rupsensoorten’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rups* vlinderlarve 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut