Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruis - (onbestemd geluid)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruis znw. m. ‘rietvoorn, bittervoorn’, zaans ook reus, Kiliaen ruysse ‘blei’. Daarnaast staat de naam ruisvoorn, waarvan ruis een verkorting zou kunnen zijn, of anders een afl. van het 1ste lid ruis, mogelijk een oud woord voor ‘riet’ (vgl. daarvoor: roer 3). Daarop kan ook de naam rietvoorn wijzen.

ruis [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens J. L. Pauwels, LBijdr. 27, 112 [1935] < *roodvoorn. Uitgesloten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ruis (cyprinus erythrophthalmus). Zaansch ook reus, nog niet mnl. Kil. vermeldt ruysse “blei”. Oorsprong onzeker. Met ’t oog op de mogelijk oudere vormen ruisvoorn, rietvoorn zouden we in ruis een woord voor “riet” kunnen zien, verwant met ohd. rûs(s)a v. “vischkaar” (zie roer III en rooster): een zeer vaag vermoeden. Fri. roetfoarn, skilige roed “ruis” helpt ons ook niet verder.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruis m., verkort uit ruis(ch)voorn.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ruis (op de lijn), allerlei loze berichten of randinformatie waaraan men weinig of niets heeft. Meer algemeen: bezwaar, protest tegen bepaalde plannen. De uitdrukking wordt meermaals gebruikt wanneer de verstandhouding tussen twee partijen niet zo goed is en de communicatie moeizaam verloopt. O.a. gebruikt in de politiek en bij de politie.

In de vijf vakantieweken, waarvan dit de eerste is, neemt het ANWB-steunpunt dagelijks meer dan duizend telefoontjes in behandeling. De helft daarvan is ‘ruis’, zoals de medewerkers het uitdrukken; een man die huilend opbelt dat-ie een lekke band heeft, mensen die hun paspoort of fototoestel kwijt zijn. (HP/De Tijd, 02/08/91)
Ruis: Als iets niet helemaal naar wens verloopt, er zijn bijvoorbeeld bezwaren tegen een bepaald plan of een zeker voornemen, dan spreekt men van: ruis op de lijn. (Dick Houwaart en Willem Breedveld: Bestuurderstaal. 1991)
Er worden bijvoorbeeld getuigen opgevoerd die beweren dat ze het meisje ergens hebben gezien waardoor allerlei andere mensen ook opeens met verklaringen komen die daarop lijken. Later blijken die beweringen weer niet te kloppen.
Peter de Vries: ‘Dat is ruis die je in een politieonderzoek voor lief moet nemen.’ (Nieuwe Revu, 16/09/92)
Het is een fraai staaltje van bewust lekken. Door deze informatie nu plotseling naar buiten te brengen, wil de BVD kijken of er ‘ruis op de lijn’ komt. (Elsevier, 10/07/93)
Hoofdcommissaris Jan Brand in Den Haag (regio Haaglanden — met 3750 mannen en vrouwen het derde korps van het land) is, zoals hij het zelf zegt, ‘ook om’. Brand: ‘Ik heb een poos gedacht dat het wel meeviel. Vergeleken met het buitenland is dat ook wel zo, maar er zit naar mijn smaak de laatste jaren toch te veel ruis op de lijn.’ (Elsevier, 26/04/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut