Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruimte - (plaats om zich te bewegen; lege deel van het heelal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ruimte zn. ‘plaats om zich te bewegen; lege deel van het heelal’
Mnl. op mijn ruumt ‘in volle vrijheid’ [1450-1500; MNW ruum], hoor oude rwmpte ende wiette ‘haar oude breedte en wijdte’ [1460-86; MNW]; vnnl. grote plaetse ende ruymte behoufvende ‘die veel plaats en ruimte nodig hebben’ [1564; WNT], ruimt ‘overvloed’ [1626; WNT], in de ruimte ‘in het luchtruim, het heelal’ [1646; WNT], wat meerder ruymte van tijdt ‘wat meer tijd’ [1657; WNT], in de ruymte ‘in het open veld’ [1688; WNT]; nnl. eer het schip in de ruymte quam ‘voordat het schip op open zee kwam’ [1727; WNT], ruimte ‘onbekrompenheid’ [1873-83; WNT].
Afleiding van het bn.ruim 2 met hetzelfde achtervoegsel als in → diepte.
Mnd. rūmte ‘id.’. Ontleend aan het mnl. of het mnd. is nhd. Räumte ‘scheepslading, open zee’ [18e eeuw; Kluge].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ruimte* [plaats om zich te bewegen] {ruumte, ruymte 1564} van ruim.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruimte znw. v., eerst laat-mnl. rūmede, met suffix iþō afgeleid van ruim en later met verscherping van d > t zoals in breedte, lengte.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ruimte znw. Sedert ’t laat-Mnl. en Mnd. Analogievorm naar andere woorden op -te. Misschien heeft mnl. ook rûmede v. bestaan; vgl. dan lengte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruimte ‘plaats om zich te bewegen’ -> Duits Räumte ‘plaats om zich te bewegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands ruum, rymte ‘grote kamer, plaats om zich te bewegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ruimte* plaats om zich te bewegen 1564 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1963. Zich op (of in) de ruimte houden,

d.i. zich op de vlakte houden, zich zijn vrijheid voorbehouden, zich buiten schot houden, zich niet bloot geven, zich niet genoegzaam uitlaten; zich niet verbinden door een belofte (Molema, 351). Vgl. De Vrijheid, 12 April 1922, 1 bl. k. 4: Minister van IJsselsteijn hield zich volkomen in de ruimte: de Regeering wacht het resultaat van de conferentie te Genua af; Haagsche Post, 18 Dec. 1920, p. 2064 k. 2: Frankrijk bleef zich op de ruimte houden; Nkr. 21 Januari 1922 p. 5: Hij (de Minister) hield zich veilig in de ruimte. Hij zou de zaak nog onderzoeken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal