Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruim - (ruimte in schip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ruim 1 zn. ‘ruimte in schip’
Onl. rūm ‘vertrek, ruimte’ in duot iuich seluon eynan ruom ‘bezorg uzelf een vertrek’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ruum ‘ruimte’ in dat hi ... op sijn ruym quame ‘dat hij in vrijheid kwam’ [1323; MNW], III1/2 voete ruems ‘drieënhalve voet open ruimte’ [1384; MNW], van elke rume ‘van elk scheepsruim’ [1399; MNW]; vnnl. op het ruim ‘in het open veld’ [1620; WNT], 't groote ruym ‘het luchtruim, heelal’ [1635; WNT]; nnl. op 't ruym ‘op open zee’ [1718; WNT], het ruim der kerke ‘de vrouwenruimte van de (protestantse) kerk’ [1760-67; WNT].
Os. rūm ‘ruimte’; ohd. rūm ‘ruimte’ (nhd. Raum ‘ruimte, scheepsruim’); nfri. rom, rûm; oe. rūm ‘ruimte, tijd, gelegenheid’ (ne. room ‘kamer, ruimte’); on. rúm ‘ruimte, (zit)plaats, bed’ (nzw. rum ‘ruimte, kamer’); got. rūm ‘ruimte’; < pgm. *rūma- ‘ruimte, (opslag)plaats’, substantivering van → ruim 2.
Het woord betekende oorspronkelijk ‘ruimte’ in algemene zin, een betekenis die overgegaan is op → ruimte, maar nog herkenbaar is in de combinatie luchtruim, wereldruim en nog gebruikt wordt in de betekenis ‘scheepsruim’.

ruim 2 bn. ‘wijd, vrij, veelomvattend’
Onl. eerst in plaatsnamen, met de betekenis ‘wijd, uitgestrekt’: Rumelacha ‘Ruimel (Noord-Brabant)’ [698-699; Künzel], Rumede ‘Rumt (Gelderland)’ [1148; Künzel]; mnl. So steect uwen vinger in de wonde, essi so ruum dat hiere in mach ‘Steek dan uw vinger in de wond, als die zo wijd is dat hij erin kan’ [1351; MNW], Soe hope ic rume rekeninghe ‘dan hoop ik op niet-bekrompen rekenschap’ [1470-90; MNW-R], dattet so ruum stont ‘dat hem de (ruime) keus gelaten werd’ [1479; MNW]; vnnl. Daert ruijm is neemt ment ruijm ‘waar men het breed heeft, is men royaal’ [1561; WNT], eenen rujmen tijdt ‘een geruime tijd’ [1633; WNT], een ruyme croes ‘een volle, grote kroes’ [1650-51; WNT]; nnl. ruime begrippen ‘niet-bekrompen begrippen’ [1793; WNT].
Os. rūmo (bw.) ‘wijd’ (mnd. rūm (bn.)); ohd. rūmi ‘wijd’ (mhd. rūm); ofri. rūm (nfri. rom, rûm); oe. rūm (me. room); on. rúmr (nzw. rum); got. rūms; < pgm. *rūma- ‘wijd’. Daarnaast met voorvoegsel: mnl. gerume (zie onder); mnd. gerūme ‘wijd’; ohd. girūmo (bw.) ‘bekwaam’ (nhd. geraum ‘lang van tijd’, geräumig ‘wijd’); oe. gerūme ‘wijd’.
Verwant met: Latijn rūs ‘(platte)land’ (zie ook → rustiek); Avestisch ravah- ‘vrije ruimte, vrijheid’; Oudkerkslavisch ravĭnŭ ‘effen, vlak’; Middeliers rōe ‘vlak; vlak land’; Tochaars ru- ‘openen’; bij de wortel pie. *reuh1- ‘openen’ (IEW 874, LIV 510).
Uit de oorspronkelijke betekenis ‘wijd’ zijn de specifieke betekenissen ‘groot’, ‘open’ (ook in het ruime sop), ‘lang van tijd’ en ‘vol’, en de figuurlijke betekenissen ‘niet benauwd’ (in eerste instantie in verband met goddelijke bevrijding) en ‘niet-bekrompen’ ontstaan. Zie ook → ruimte.
geruim bn. ‘vrij lang (van tijd)’. Vnnl. een geruimen tijd ‘id.’ [1796; WNT]. Afleiding van ruim met het voorvoegsel → ge- (sub g), dat hier een louter versterkende functie heeft. In het mnl. kwam het woord alleen voor in de betekenissen ‘wijd’, ‘groot, kwistig’ en ‘vrij’. Na de 17e eeuw werd het alleen nog gebruikt in de betekenis ‘lang (van tijd)’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ruim* [uitgestrekt] {ruum, rume 1351} oudhoogduits rumi, oudfries, oudengels rūm, oudnoors rūmr, gotisch rūms; buiten het germ. mogelijk latijn rus [land], middeliers róe [vlak land].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruim bnw. mnl. ruum, rûme, os. bijw. rūmo, mnd. rūm, ohd. rūmi, ofri. oe. rūm, on. rūmr, got. rūms. — Gesubstantiveerd als mnl. ruum ‘ruimte’, os. rūm, ohd. rūm (nhd. raum) ‘ruimte’, oe. rūm ‘ruimte, tijdruimte, geschikte gelegenheid’ (ne. room), on. rūm o. ‘ruimte, plaats, zitplaats, bed, positie’, got. rūms m. ‘ruimte’. — Mogelijk bij lat. rūs ‘land’, av. ravah ‘ruimte’, osl. ravĭnŭ ‘effen, vlak’, miers rōe ‘vlak land’, toch. AB ru (< *reu̯o) ‘openen’ (IEW 874); daarbij wellicht ook oi. urú-, gr. eurús ‘breed’?

Sütterlin IF 45, 1927, 308 leidt germ. *rūma van *rūgma- af, waarvan hij de stam met oi. lōka ‘open plaats, ruim’ vergelijkt. Maar het oi. woord heeft van ouds een l en behoort bij de groep van lo 1. — Zou men mogen aanknopen bij de groep van rooien 2. en dan denken aan de open plekken in het gerooide bos? Dan zou het uit zijn isolement bevrijd zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ruim bnw., mnl. ruum, ook rûme. = ohd. rûmi, mhd. rûm(e), mnd. (os. reeds ’t bijw. rûmo) ofri. ags. rûm “ruim”, on. rûmr, got. rûms “id.”. Als znw. mnl. ruum o. (m.?) “ruimte, ruim” (nnl. ruim o.) = ohd. rûm (nhd. räum), os. rûm m. “ruimte”, ags. rûm m. “ruimte, tijdruimte, geschikte gelegenheid” (eng. room), on. rûm o. “ruimte, plaats, ruim, zitplaats, bed, positie”, got. rûms m. (of rûm o.?) “ruimte”. Van de basis erewe-, waarvan ook ier. rôe, rôi “vlak veld”, lat. rûs “land” (oppos. “stad”) = av. ravah- “ruimte”, en obg. ravĭnŭ (*orvĭnŭ) “vlak”. Hiernaast ewere- in gr. eurús, oi. urú- “ruim, wijd, breed”, compar. oi. várîyas-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruim bijv., Mnl. ruum, Os. rûm, + Ohd. rûm (Mhd. id., Nhd. ge-raum), Ags. rúm, Ofri. id., On. rúmr (Zw. en De. rum), Go. rums + Zend. ravanh = het ruim, Lat. rus = het veld, Ier. rói (d.i. *rovesiâ) = vlakte, Osl. ravĭnŭ = vlak. Uit het adj. ontstond het subst. ruim, Eng. room (= kamer).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ruim b.nw.
1. In alle rigtings uitgestrek. 2. Lank en breed, wat veel kan bevat. 3. Nie afgeslote of versper nie, oop. 4. Wyd, loshangend. 5. Oorvloedig, volop. 6. Nie bekrompe of kleingeestig nie.
Uit Ndl. ruim (Mnl. ruum, ruym in bet. 1 - 5, 1657 in bet. 6).
D. geräumig, Eng. roomy.

2ruim s.nw.
1. (ongewoon) Lug, uitspansel. 2. Bergplek van goedere in die binneste van 'n skip.
Uit Ndl. ruim (Mnl. ruum, rume), wat naas die b.nw. ruim (sien 1ruim) bestaan.
D. Raum, Eng. room, Goties rums, Sweeds rum.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ruim: s.nw., b.nw., bw. en ww., “firmament/lug; pakplek in skip” (as s.nw.); “groot, oorvloedig, vol, volledig, wyd” (as b.nw. en bw.); “groter maak; leeg maak; wegpak; padgee” (as ww.); Ndl. ruim (Mnl. ruum/rume), Hd. raum, Eng. room (as b.nw. roomy), hierby Ndl. ww. ruimen (Mnl. rumen), Hd. räumen, hou misk. verb. m. Lat. rūs, “land”.

ruim: s.nw., b.nw., bw. en ww., “firmament/lug; pakplek in skip” (as s.nw.); “groot, oorvloedig, vol, volledig, wyd” (as b.nw. en bw.); “groter maak; leeg maak; wegpak; padgee” (as ww.); Ndl. ruim (Mnl. ruum/rume), Hd. raum, Eng. room (as b.nw. roomy), hierby Ndl. ww. ruimen (Mnl. rumen), Hd. räumen, hou misk. verb. m. Lat. rūs, “land”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruim ‘uitgestrekt’ -> Deens rum ‘over de zee: uitgestrekt’; Zweeds rum ‘over de zee: uitgestrekt’; Papiaments reimu (ouder: reim) ‘veel ruimte biedend, vrij groot, omvangrijk, (fig.) tamelijk dik’.

ruim ‘scheepsruim’ -> Engels run ‘achterkiel’ ; Ests trümm ‘scheepsruim’ ; Frans dialect rûme ‘dekluik van een aak’; Tsjechisch trum ‘scheepsruim’ ; Pools trym ‘scheepsruim’ ; Macedonisch trim ‘scheepsruim’ ; Russisch trjum (ouder: rjujm) ‘scheepsruim; (Bargoens) gevangenis’; Bulgaars trjum ‘scheepsruim’ ; Oekraïens trjum ‘scheepsruim’ ; Wit-Russisch trum ‘scheepsruim’ ; Litouws triumas ‘scheepsruim’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

ruim. Een van de vele Nederlandse scheepstermen die het Russisch heeft overgenomen, is ruim 'inwendige ruimte onder het (onderste) dek, binnenste gedeelte van een schip'. De ontlening is mondeling gegaan, via de spreektaal. Het woord wordt in het Nederlands altijd voorafgegaan door het lidwoord 't, en de Russen vatten dit op als onderdeel van het woord: vandaar dat het ruim in het Russisch trjum heet. In het verleden kende men ook rjujm, zonder lidwoord, en intrjum 'in het ruim'. Uit het Russisch is trjum overgenomen door het Bulgaars en Oekraïens. In het Russische criminele jargon heeft trjum de betekenis 'gevangenis' gekregen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ruim* uitgestrekt 0698-699 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

128. Ruim baan maken,

den weg vrij maken van belemmeringen, een doortocht banen, alles uit den weg ruimen. De zegswijze dateert uit de 17de eeuw; Halma, 37: Ruim baan maken, fendre la presse, se faire un passage; Sewel, 54; Ndl. Wdb. II, 809.

1971. Op groote (breede, ruime) schaal,

d.i. in het groot, uitvoerig en niet kleingeestig; ook: in menigteNdl. Wdb. III, 1174; V, 1068.. Het znw. schaal beteekent in deze uitdr. eig. ladder (lat. scalaIn dezen zin opgeteekend bij Halma i.v. échelle; schaal, meetlijn voor de gebouwen en landkaarten.); vandaar opklimmende of dalende reeks (vgl. toonladder, toonschaal); ‘lijn, die in eenige gelijke deelen verdeeld is, welke strepen, meters, roeden, graden, mijlen enz. voorstellen, en die op een plan of teekening gesteld, dient om de betrekking der afstanden en hoegrootheden op de kaart ons aangewezen, met de wezenlijke afstanden en hoegrootheden aan te duiden’ (Van Dale); vandaar dat op groote schaal de beteekenis aanneemt van in groote verhouding, in groote afmetingen, in 't groot. Ook in het fr. zegt men faire quelque chose sur une grande (large, vaste) échelle; eng. on a large scale.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut