Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruilen - (verwisselen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ruilen ww. ‘verwisselen’
Vnnl. roylen, roelen ‘verwisselen’ in Die immobile goeden coopt, wandelt oft roelt ‘wie onroerende goederen koop, inruilt of omruilt’ [1506; MNW roelen], wanneer by yemant eenige immobile goeden weg gegeven oft geroylt ... zijn geweest om andere gelijke goederen ‘wanneer door iemand enig onroerend goed is weggegeven of geruild voor ander soortgelijk goed’ [1551; iWNT zinnen II], roylinck (afleiding) ‘ruil’ [1553; WNT bartage], reulen ‘verwisselen’ [1573; Thes.], Al 't valsche goed ruylt om dees kostel waar ‘ruil al het onbetrouwbare bezit met dit kostbare goed’ [ca. 1575; iWNT kostel], reulen, ruylen ‘verwisselen’ [1588; Kil.].
Herkomst onbekend. De oudste attestaties zijn resp. uit Terschelling en uit Zuid-Holland; Kiliaan noemt het woord in 1588 Fries en Rijnlands (= regio Gelre, Kleef, Luik) en in 1599 Fries, Rijnlands en Hollands. Het woord is ook nu nog alleen bekend in het Nederlands, het Fries en enkele aangrenzende Nederduitse dialecten. De -ui- in dit woord gaat niet terug op een lange -ū- maar is een oorspronkelijke diftong zoals in → buitelen. Veel van de woorden met deze klank zijn ontleend (zie bijv.fluit, → luifel, → ruif) en daarom veronderstelt NEW verband met Frans rouler ‘rollen’ [14e eeuw; Rey], waarvan de stamklinker inderdaad op een oude diftong teruggaat: Oudfrans rëoller, rueler, roueler [alle 12e eeuw; Rey], afgeleid van Oudfrans roele, ruele ‘kleine schijf’ < Laatlatijn rotella, verkleinwoord van rota ‘wiel’, zie → rad 1. De betekenisovergang zou van ‘rollen’ via ‘in omloop zijn’ naar ‘over en weer gaan’ zijn verlopen, maar attestaties die op zo'n verloop wijzen, ontbreken zowel in het Frans als in het Nederlands; deze verklaring blijft dus zeer onzeker.
Nnd. reilen, rülen; nfri. ruilje (< nnl. ?), roalje.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ruilen* [verwisselen] {roelen 1506} fries roalje, ruilje, oostfries reilen, rülen in 1506 op Terschelling roelen; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruilen ww., mnl. roelen, roylen, Kiliaen ruylen (Hol. j. reulen; reulen, ruylen Fris. Sicamb. Hol. commutare, permutare’), reeds 1506 op Terschelling roelen, vgl. fri. roalje, ruilje, railje, oostfri. reilen, reulen, rülen. — De herkomst van dit lokaal zeer begrensde woord is onzeker. Het mnl. roelen doet denken aan fra. roeler (< *lat. rotulare) ‘rollen’ en met het oog op nnl. rouleren zou men kunnen denken aan een bet. ontw. ‘rollen’ > ‘in omloop zijn’ > ‘over en weer gaan’. Maar dit is een zeer onzekere verklaring.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ruil znw., nog niet bij Kil. Van ruilen ww., Kil. “ruylen. Hol. j. reulen; reulen, ruylen. Fris. Sicamb. Hol. Commutare, permutare”, reeds 1506 op Terschelling roelen “ruilen”. Vgl. fri. roalje, ruilje, railje, oostfri. reilen, reulen, rülen “ruilen”. Oorsprong onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ruilen. Vocalisme als spuiten (Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruilen o.w., + Fri. roalje, Oostfri. reilen, rulen: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ruil ww.
1. Iets in die plek van iets anders gee, verwissel. 2. Plek of toestand verwissel.
Uit Ndl. ruilen (1506 in die vorm roelen).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ruilen (ruilde, heeft geruild), (ook:) ruien. Mijn vogel is aan ’t ruilen (in brief, 1967). - Etym.: Vgl. S kenki (’tjintji’), bet. zowel ’ruilen’ als ’ruien’.
— : zie ook ruilder*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

ruil: in besit gee/kry d. verwisseling v. goed i.p.v. met behulp v. geld; Ndl. ruilen (Mnl. roelen/roylen, by Kil reulen/ruylen), herk. en verw. baie onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruilen ‘verwisselen’ -> Fries roalje ‘verwisselen’; Negerhollands ruil, reil ‘verwisselen, (iets) veranderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ruilen* verwisselen 1506 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut