Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruiker - (bloemenboeket)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ruiker zn. ‘bloemenboeket’
Mnl. ruker ‘een geur verspreidend voorwerp’ in gulde rukerkijns ‘gouden reukballetjes’ [1400-50; MNW]; vnnl. Riecker, oft rieckappel ‘id.’ [1573; Thes.], ‘boeket’ in Die ... bloemen ... tot eenen ruycker schickt [1637; iWNT], (planten) uyt de welke men Kranssen, Kroontjes, Ruykertjes bindt voor reuk-werk [1666; iWNT].
Afleiding van → ruiken ‘een geur verspreiden’ met het achtervoegsel -er, zie → -aar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ruiker* [slechte stoot bij biljart] {1901-1925} van ruiken [stinken], vgl. de synoniemen stinker, ui, vieze -, smerige -, vuile bal.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ruiker

Wij noemen tegenwoordig een bos bijeengeschikte bloemen een bouquet of boeket, vergetende dat wij er een goed Nederlands woord voor bezitten in ruiker. Letterlijk betekent ruiker: hij die ruikt, maar ook: hij die riekt. Het verschil dat de Nederlandse schrijftaal maakt tussen ruiken en rieken – reuk opnemen en reuk geven – is namelijk geheel kunstmatig. In ruiker hebben wij natuurlijk de betekenis: geur geven. Oorspronkelijk was een ruiker helemaal niet een bos bloemen, maar een bal van welriekend gom of specerij die dienst deed als reukwerk. Men noemde dat voorwerp ook wel riekappel of riekertje. In een kanttekening bij Salomo’s Hooglied wordt van een ‘rieckerken van myrrhe’ gesproken. Langzamerhand werd de betekenis verengd tot ruiker van bloemen. Het verband met het werkwoord ruiken is geheel verloren gegaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruiker m., + Ndd. rükel: van ruiken

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rui’ker (de, -s), 1. bos snijbloemen of siertakken zonder bloemen, boeket. En zij moet ook nog een ruiker plukken voor de juf (A. de Vries 1957 (7): 4). Ik zal terugkomen om een krans op je graf te leggen. Een van glanzende palmtakken. Symbolen van de eeuwige vrede en veel bloemen die liefde zijn. Ook een ruiker van kretons*, die we hoop* en rijkdom noemen, en die jij zo mooi vindt (Ferrier 1968: 81). - 2. bloemstuk. Ik heb goed in mijn oren geknoopt dat een ruiker hier [in Ned.] een bloemstuk heet, dat groene* kaas Zwitserse kaas heet en soepgroente* peterselie (Sur. studente in Vrij Nederland 8-1-1972). - 3. (niet alg.) sierplant in een pot. - Etym.: In AN veroud., alleen in bet. 1 (bos bloemen). - Syn van 1 handruiker*. Samenst. van 1 ook: djanoerruiker*, geldruiker*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruiker ‘bos bloemen’ -> Sranantongo ruiker ‘bos bloemen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

904. Het op de heupen hebben (- krijgen),

d.w.z. in een opgewonden gemoedstoestand verkeeren of geraken, d.i. slecht gehumeurd zijn òf met een aanval van buitengewonen ijver iets doenMag men hierin eene herinnering zien aan de oudtestamentische gewoonte om op de heupen te kloppen als teeken van groote ontsteltenis en droefheid? Of moeten we denken aan verschijnselen bij een heuplijden?. De uitdr. staat opgegeven bij Harreb. I, 307 b; ook komt ze voor O.K. 166; 170; Uit één pen, 144; Sjof, 158; 176; 218; Kmz. 24; Jord. 195; 235; Speenhoff VII, 25; Heyermans, Ghetto, 11; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 236: De rooie huzaren waren er ook bij uitgenoodigd om te hooren wat de generaal van Den Haag vandaag op z'n heupen had. Vgl. de soortgelijke uitdr. 't op de zenuwen, op de borst hebben; het op den asem hebben (Waasch Idiot. 280); 't veur de nieren hebben, zwanger zijn (Molema, 545 a); het voor zijn speetjes (?) hebben = dronken zijn (Gew. Weuw. III, 69); het voor zijn kiezen krijgen (ald. bl. 39; ook Harreb. 399; B.B. 151); het voor de nieren hebben, dood gaan (Gallée, 30 b; Draaijer, 27 b); in Twente: 't veur de stikken krîgen, sterven; hij heeft het voor zijn ster (dronken; Nav. 1897; 59); 't op zijn ruiker(d) hebben, zich meer dan anders inspannen (Onze Volkstaal III 254; Menschenw. 312; 431; Lev. B. 95); 't voor zijn kriek hebben (ongesteld, dronken zijn; Boekenoogen, 514; evenzoo bij De Vries, 80, die het ook vermeldt van een vrouw: zwanger zijn); hij het et van dage op de butte, goedgehumeurd (Dr. Bl. II, 51); fri. hy het it for de krint (ongesteld); hy heeft het voor zijn maag (dood; Sewel, 470); hij heeft het hard voor zijn scheenen (kwaad te verantwoorden; Halma, 560); het voor zijn hart hebben (dronken of verliefd zijn; Ndl. Wdb. VI, 10); 't op 't lijf hebben, iets in den zin hebben (Gunnink, 162).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut