Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ruiken - (een geur waarnemen of verspreiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ruiken ww. ‘een geur waarnemen; een geur verspreiden’
Onl. riekan ‘een geur verspreiden’ in glossen: riechon (infinitief), ruecont (3e pers. mv. presens) [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. riken ‘een geur verspreiden of waarnemen’ [1240; Bern.], meestal rieken, ruken ‘id.’ in crut dat sute roec ‘kruid dat zoet rook’, sise noede roec ‘zij rook er niet graag aan’, te riekene enen ghoere ‘een geur te ruiken’ [1265-70; VMNW], in rukene ‘in de reukzin’, hie ruokt wel ‘hij kan goed ruiken’ [beide 1270-90; VMNW]; vnnl. ruycken ‘een geur verspreiden of waarnemen’ in een heckspringer, die van 't harnis ruyckt ‘een rare snuiter die naar het harnas ruikt’ [1545; iWNT hekkenspringer], Ruycky dat? ‘ruik je dat?’ [1550; iWNT snuf]; nnl. rieken ‘de gedachte opwekken’ in Riekt dit niet naar ketterij? [1830; iWNT].
Mnd. reken, ruken; ohd. riohhan (nhd. riechen ‘een geur waarnemen of verspreiden’); ofri. riāka (maar nfri. rûke is ontleend aan het mnl. of mnd.); oe. rēocan (ne. reek ‘stinken, wasemen’); on. rjúka ‘rook verspreiden’ (nzw. ryka); alle oorspr. ‘rook of damp verspreiden’, < pgm. *rūkan-, *reukan-. In het West-Germaans breidde de betekenis zich uit naar ‘een geur verspreiden’ en in het Nederlands en het Hoogduits verder naar ‘een geur waarnemen’. In deze laatstgenoemde talen is de oorspr. betekenis overgegaan op het werkwoord roken, waarvoor zie → rook, dat net als → reuk ablautend verwant is met ruiken.
Verdere herkomst onbekend. Buiten het Germaans geen zeker verwante woorden.
In de infinitief en de tegenwoordige tijd van dit woord hebben de Germaanse talen twee verschillende vocalismen. In de andere stamtijden van dit sterke werkwoord bestond geen verschil: mnl. rieken/ruken, rooc, roken, geroken. De twee klanken gaan terug op Proto-Germaans *eu resp. ū. In het Nederlands rieken resp. ruiken komen beide terug, maar bij de andere sterke werkwoorden met dezelfde eigenschap is in het Nederlands slechts de variant met (> nnl. ui) bewaard gebleven, bijv.buigen naast Duits biegen, → druipen naast Duits triefen, → kruipen naast Engels creep, → sluiten naast Duits schließen. Opvallend is → luiken, dat in alle Germaanse talen een lange ū heeft. De ū is wrsch. ontstaan uit oudere korte u naar analogie van de lange ī in de sterke werkwoorden van de eerste klasse. De u kan dan als nultrap van *eu worden beschouwd. Maar het waarom achter deze variatie is omstreden. De variatie rieken/ruiken is van een andere aard dan die van → lieden/luiden.
In het Middelnederlands was rieken overwegend zuidelijk en oostelijk, ruken noordelijk en oostelijk. Ruiken is in het NN de standaardvorm geworden, maar in het BN komt rieken nog steeds voor. Daarnaast bestaat rieken sinds de 17e eeuw in de NN schrijftaal in de betekenis ‘een geur verspreiden’. Daaruit is vervolgens de overdrachtelijke betekenis ‘de gedachte opwekken’ ontstaan.
welriekend bn. ‘een aangename geur verspreidend’. Mnl. wel riekenden wijn ‘aangenaam geurende wijn’ [1287; VMNW], alle gore welrukender crude ‘alle geuren van welriekende kruiden’, scone welriekende rosen ‘mooie welriekende rozen’ [beide 1340-60; MNW-P]. Gevormd uit → wel 1 ‘goed (bijwoord)’ en het teg.deelw. van rieken.
Lit.: Van Bree 1987, 210-211

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rieken* [een geur geven, opnemen] {oudnederlands riecon 901-1000} nevenvorm van ruiken.

ruiken* [een geur geven, opnemen, ook: rieken] {ruken [geur afgeven, geur waarnemen] 1265-1270, naast oudnederlands riecon 901-1000, middelnederlands rieken} middelnederduits reken, ruken [roken, dampen], oudengels reocan [roken, ruiken], oudhoogduits riohhan [dampen, ruiken], oudnoors rjúka [roken, dampen]; buiten het germ. zijn geen verwanten gevonden; de vorm ruiken is hollands, naast zuidnederlands rieken; het huidige betekenisonderscheid tussen ruiken [geur waarnemen] en rieken [geur afgeven] is opzettelijk gemaakt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ruiken ww. ook rieken, mnl. rûken en (vooral zuidnl.) rieken, Kiliaen noemt ruicken Holl. Sicamb., onfrank. riecan ‘fumigare’, mnd. rēken, rūken ‘ruiken’ (trans, en intrans.), ohd. riohhan ‘roken, dampen, ruiken’ (intrans. nhd. riechen), ofri. riāka ‘roken’, oe. rēocan ‘roken, ruiken’ (ne. reek), on. rjūka ‘roken, dampen, stuiven’. — Zie ook: reuk en rook 1.

Het ww. is uitsluitend germ. Een idg. wt. zou *reug zijn, die evenals *reuk (waarvoor zie: ruig) afl. van *reu (zie: rooien) zou kunnen zijn. Bedenkt men dan de samenhang met rooien dan kan men
vermoeden, dat met ruiken oorspr. de rookontwikkeling van het afbranden van een bosperceel voor het eigenlijke rooien bedoeld is. — Anders IEW 872, die wil uitgaan van een bet. ‘te voorschijn breken (van de rook)’ en dan van een id. wt. *reug ‘braken’, die onder herkauwen besproken is. Dit is zeer geconstrueerd, vooral wat de bet. aangaat. — Mocht alb. ‘wolk’ uit *rougi zijn ontstaan, dan zou de wt. *reug ook in een nietgerm. taal vertegenwoordigd zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] ruiken, rook I, alb. een dubieuze combinatie wegens tosk. “wolk”.

ruiken, rieken ww., mnl. rûken en (vooral zuidndl.) rieken (trans. en intrans.). Kil. noemt den ui-vorm “Holl. Sicamb.”. = onfr. riecon “fumigare”, ohd. riohhan “rooken, dampen, ruiken” (intrans.; nhd. riechen), mnd. rêken, rûken “ruiken” (trans. en intr.), ofri. riâka “rooken”, ags. réocan “id., ruiken (intrans.)” (eng. to reek), on. rjûka “rooken, dampen, stuiven”. Hierbij reuk I, rook, het laatste = alb. “wolk”< idg. *rougi-. De basis zal wel oorspr. “dampen, stuiven” beteekend hebben. Het is al te fantastisch om (als bij stinken) van een grondbet. “stooten, slaan” uit te gaan en oi. rug-, ruj- “breken” te combineeren, waarbij dan ook nog NB. de bij herkauwen besproken basis rug- gebracht wordt, met een verwijzing naar hd. sich erbrechen e.dgl. (zie braken), in bet. = gr. ereúgesthai.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ruiken. Owfri. ook rûkia ‘ruiken’ (trans., wsch. ontleend). — De gelijkstelling rook = alb. ‘wolk’ is onzeker (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ruiken ono.w., , Mnl. ruken, rieken, Onfra. riecon + Ohd. riohhan (Mhd. riechen, Nhd. id.), Ags. réocan (Eng. to reek), Ofri. riáka, On. rjúka (Zw. ryka, De. ryge). De bet. is rooken, dampen, uitwasemen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ruke (ww.) ruiken; Aajdnederlands riekan <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ruik ww.
1. 'n Geur waarneem. 2. 'n Geur afgee of versprei. 3. 'n Onaangename geur afgee, stink. 4. Laat dink aan.
Uit Ndl. ruiken (Mnl. ruken, ruycken in bet. 1 en 2, 1573 in bet. 3, 1644 in bet. 4). Naas Mnl. ruken ook rieken. Ruken is hoofsaaklik 'n N.Ndl. vorm en rieken 'n S.Ndl. vorm.
D. riechen, Eng. reek.
Vgl. reuk, 1rook.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ruik: deur reukorgaan gewaar word; ’n geur afgee; Ndl. ruiken naas rieken (Mnl. rūken/rieken, by Kil ruicken), Hd. riechen, Eng. reek, hoofs. Germ. en hou verb. m. reuk wat in Afr. as s.nw. m. ruik deureenloop.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ruiken, Rieken, van den Germ. wt. ruk = rooken, damp uitwasemen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ruiken ‘een geur geven of opnemen’ -> Fries rûke ‘een geur geven of opnemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands reuk, rik ‘een geur geven of opnemen’; Berbice-Nederlands ruku ‘een geur geven of opnemen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rieken* een geur geven of opnemen 0901-1000 [WPs]

ruiken* een geur geven of opnemen 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1323. Naar de lamp rieken.

Dit zegt men van redevoeringen, die vooraf bestudeerd zijn, waarop men lang heeft zitten werken, eig. tot laat in den avond, als de lamp brandt; in 't algemeen van eenig letterkundig werk, waaraan veel tijd en inspanning is besteed. De uitdr. is ontleend aan den redenaar Pytheas (± 340 v. Chr.), die van de redevoeringen van den hem vijandig gezinden Demosthenes beweerde, dat zij naar de lampepitten roken (ελλυχνιων οζειν). Zie Vondel II, 459 (ed. Alb. Thijm): Vaer wel, voortreffelycke man, en volhard om, by gelegentheyd, my gelukkigh te maecken met uwe na de lamp ruyckende heldenvonds; G. Brandt in de voorrede van Hooft's werken, 1671: Eenige van zijne brieven rieken naar den oly van arbeidt. Zie Büchmann, 351; Ndl. Wdb. VIII, 961; XIII, 1660 en vgl. het synonieme dat riekt naar de olie; fr. sentir l'huile (ou la lampe); hd. nach der Lampe riechen; eng. to smell of the lamp.

1423. Lont ruiken (of rieken),

Winschooten, 142 zegt i.v. lont: ‘Het is een gedraaide streng van werk, ens. door welkers behulp roers, geschut, kan afgeschooten, of gelost werden: hier van daan: lont ruiken, ik ruik lont, beteekend onraad verneemen: dewijl hij in vrees is, dat het op hem mogt gemunt sijn’. Zie verder Pers, 315 a; 556 b; Paffenr. 59: Een goed soldaet ruykt ras lont; Brederoo I, 257, vs. 422; Van Effen, Spect. VII, 19; C. Wildsch. VI, 34; Tuinman I, 343; Sewel, 458: Lont ruiken, merken dat er iets smeult, to smell a design out; Harreb. II, 35; Villiers, 74; Ndl. Wdb. VIII, 2690, enz. In de 17de eeuw gold hiernaast in denzelfden zin: de vonken gewaar worden (Hooft, War. 178), – merken of in den neus krijgen. In Zuid-Nederland lont (ge)rieken; vgl. Plantijn: lonten riecken, avoir le vent au nez; Antw. Idiot. 1878; Teirl. II, 218; Schuerm. 348 a; De Bo, 646; fri. lonte rûke of der lonte fen krije; fr. sentir, découvrir la mèche; hd. Lunte riechenVgl. in het hd. in denzelfden zin das Garn riechen, eig. gezegd van wild; den Braten riechen (Schrader, 284 en 29).; eng. to smell a rat. Syn. is kaas ruiken (in Dievenp. 168).

1443. Iemand niet kunnen luchten of zien,

d.w.z. iemand niet kunnen uitstaan, niet kunnen ruiken noch zien (fr. ne pas pouvoir sentir qqn.; hd. einen nicht riechen können), welke beteekenis het wkw. luchten in de middeleeuwen reeds had. Zie Despars, 4, 383: Dies hem tghemeente zo overgrootelix belchde, dat zy hem niet langher ghesien en mochten nochte luchten. Vgl. het Mnl. Wdb. IV, 864; Anna Bijns, N. Refr. 16; 87; Uitlegk. Wdb. op Hooft II, 224; Winschooten, 146: Iemand niet mogen lugten, iemand niet kunnen dulden, en hier van seid men: ik mag die vent niet sien nog lugten; Brederoo I, 59, 1523; 231, 511: De dingen die teghen menkander strijen en mogen menkaar in 't minste luchten noch lyen; Gew. Weeuw. III, 70: Al was je mijn dood Vyand, die ik pas zien of luchten mocht; C. Wildsch. I, 189; III, 279; IV, 81; Tuinman I, 171; Sewel, 463; Halma, 328: Zij mag die vent zien nog lugten, elle ne peut ni voir ni souffrir ce drolle-là; Sewel, 463; Harrebomée III, 45; Nest, 75; Prikk. V, 15; Gunnink, 165; De Bo, 354: ik kan hem gezien noch geluchten; Schuerm. 146: ik en kan dien vent niet geluchten (of ook geduchten); in het Waasch Idiot. 250 a: iemand niet kunnen gerieken, niet kunnen verdragen; Claes, 202: ik kan hem niet rieken, d.i. dulden, lijden; fri. ik mei dy loaije kerel net luchtsje; syn. van iemand niet kunnen hooren of zien o.a. bij Campen, 109: Ick en mach hem niet hoeren oft sien.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3164.

1586. Het riekt naar den mutsaard.

Deze uitdrukking is afkomstig uit den tijd, toen een woord in strijd met de leer der Katholieke Kerk in Nederland genoegzaam was om iemand ten vure te doemen (mutsaard = brandstapel van takkenbossen). Ze komt dan ook in de geschriften der 16de eeuw het eerst voor; o.a. bij Marnix, Byenc. 106: Waer uyt sommighe vermoedt hebben, dat het Vagevyer moest uitgepist wesen van Martin Luther: Maer die propositie is zeer schandeleus, quetsende de goede Catholijcke ooren, ende rieckende na de mutsaerden. Uyt wekker oorsake de Bisschop Lindanus.... meynde op eenmael eenen schilder in den Haghe te doen verbranden, om dat hy het oordeel des jonxten dagh hebbende geschildert, eenen monick gemaeckt hadde, pissende in het VagevyerOntleend aan Taal en Letteren I, 194.. Zie verder Byenc. 2 r; 96 v en 112 r; Pers, 77 a; 214 b; Van Effen, Spect. V, 13; Halma, 364: Dat riekt naar den mutzaard, dat zweemt naar ketterij, cela sent le fagot. cela sent son hérétique; Sewel, 502: Hy ruikt naar den mutsaard, he deserves to be burnt; Tuinman I, 31: Hy riekt naar den mutsaard; Ndl. Wdb. IX, 1283; XIII, 1660; fr. sentir le fagot; hd. nach dem Scheiterhaufen riechen; eng. to smell of the fagot.Thans wordt de uitdr. weinig meer gebruikt, maar wel is bekend: Het ruikt naar den mosterd in den zin van het is duur, dat herinnert aan het bij Halma, 362 opgeteekende 18de-eeuwsche Mostaart = duurder koop dan een ander, enchère, augmentation de prix, trop cher, zooals in de uitdr. hij heeft daar 25 gulden mostaart aan, il a acheté cela 25 francs trop cher; Sewel, 500: Hebt gy daar voor een gulden, dat is duure mostaard; did you pay a guilder for it, that is dear indeed, eene uitdr. die thans nog in Limburg bekend is (vgl. Harreb. II, 105: dat is dure mosterdVgl. in het Antwerpener Cluchtboeck van 1576, p. 51: Vanden heere ende sijnen rentmeester, die hem veertich gulden rekende voor mostaert.), en de zegsw. dat is dure theeVgl. ook 't Daghet XII, 144: t' Is dure stokvisch; Harreb. I, 371: Het is dure kaas.. Ook in West-Vlaanderen, het Land van Waas en Kl. Brab. is de uitdr. mostaard eten bekend in den zin van ‘aan een minderen prijs verkoopen, dan men eerst aangeboden was’ (De Bo, 714 b; Waasch Idiot. 446 a; Schuermans, 392 b). Zie nog Van Eijk, aant. I, bl. 5; Taal en Letteren I, 193; het fr. c'est chère épice; hd. das ist starker Pfeffer en vgl. peperduur.

1622. Iemand iets onder (of door) den neus wrijven,

d.w.z. iemand iets op onzachte wijze zeggen; hem in bedekte termen verwijtingen doen, iets onaangenaams zeggen; mnl. enen iet onder doghen werpen. Eig. iemand iets onwelriekends onder den neus wrijven (vgl. iemand iets op zijn brood geven, - te slikken geven, - te ruiken geven). De uitdr. kan ontleend zijn aan de gewoonte om honden of katten, die nog niet zindelijk zijn, met hun neus in de uitwerpselen te drukken In de 17de eeuw leest men bij Winschooten, 265: Smijt hem dat voor de scheenen: hetwelk oneigendlijk beteekend: vrijf hem dat eens door de neus; houd hem dat eens voor oogen; Hooft, Brieven, 384: Die hem onder verwe van heusch vermaan, groove onweetenheidt in 't stuk van Staat en Oorlog door den neus wrijft; ook Ned. Hist. 229; 427; bij Pers, 214 b: iemand iets in 't gezicht wrijven. Voor de 18de eeuw vergelijke men R. Ansloo, 128: Dies wryft hy hem veel smaat en laster door de neus; Tuinman I, 199: Ymand iets onder den neus wryven; Sewel, 520: Iemand iets in de neus wryven, to upbraid one with a thing, to twit in the teeth with; Villiers, 86. Synoniem was de uitdr. iemand iets door de tanden wrijven (eng. to hit or to cast) anything in a person's teeth) en iemand iets in den baard wrijven (hd. einem etwas in den Bart reiben); thans dial. iemand iets in zijn murf (mond) wrijven. Ook in het hd. is bekend: einem etwas unter die Nase reiben, waarvoor men in het Fransch zegt: planter, jeter ou plaquer qqch. au nez de qqn; de.: at kaste En Noget i Naesen. In Zuid-Nederland: iemand iet onder zijnen neus wrijven (Antw. Idiot. 1916); iemand iet vègen, iemand iet onder zijnen neus vègen, hem iets in bedekte termen verwijten (Antw. Idiot. 2117); iemand iets door den baard strijken (Joos, 117); iemand iets op den neus geven (Schuermans, 407 b), waarvoor volgens De Bo, 325 b ook gezegd wordt iemand iets door den neus flinken = door den baard wrijven, en iemand een snuifje geven (vgl. Tuinman I, 199: iemand een riekertje geven; fri. immen in rûker jaen) of iemand eene sneuve of sneuven geven; Schuermans, 644; Bijv. 309 a; Waasch Idiot. 457 b; in Antw. iemand laten snuiven. In het Friesch: immen hwet om 'e noas wriuwe.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut