Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rui - (periodiek verlies van haren of veren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ruien ww. ‘periodiek de haren of veren verliezen’
Mnl. al in de samenstelling rudevoghel ‘ruiende vogel’ [1350-97; MNW]; vnnl. (als afleiding) in Mijn vlercken verruyden ‘mijn vleugels ruien’ [ca. 1550; iWNT], ruiden in als het Ghevogelt ruydende is ‘als de vogels aan het ruien zijn’ [1567; iWNT], Zy heeft geruit [1642; iWNT], dan zonder -d- in veel Vogels teelen, broeyen en ruyen des Zomers op de Eilanden [1692; iWNT].
Ontstaan door wegval van de intervocalische -d- uit ouder ruyden < mnl. *ruden. Hierbij hoort met andere overgangsklank ook de in BN voorkomende variant ruiven ‘ruien’: vnnl. De vogelen ruyven [1573; Thes.].
Mnl. *ruden < pgm. *reudjan- is wrsch. een dentale afleiding bij de wortel pie. *reuH- ‘afscheuren, afrukken’ (LIV 510), waarbij ook de afleidingen → ruig en → ruw horen. Hiermee vergelijkbaar is Zweeds rugga ‘ruien’, dat eveneens teruggaat op een woord dat ‘ruwheid, ruigte’ betekent.
rui zn. ‘het ruien’. Nnl. rui [1805; WL], De natuurlijke rui, die de Koeijen jaarlijks hebben [1810; iWNT], De kippen zijn in den rui [1898; Van Dale], De kanarie is aan den rui [1922; iWNT]. Afleiding van ruien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rui 1 znw. m. verbaalnomen van ruien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rui znw., ruien ww., niet mnl. noch bij Kil. Deze en Plantijn vermelden ruyven “ruien” (nog zuidndl., hier en daar sterk), maar de grondvorm van ruien is *rûden (hierbij mnl. rûde-vōghel m., oudnnl. ruidvogel??) = mnd. rûden “ruien”. Wellicht identisch met mnd. mnl. rûden “water van planten enz. zuiveren” (zie opruien, rooien II). NB. wfri. ruitelen “ruien”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rui 2 m. (het ruien), , verbaalabstr. van ruien, Mnl. *ruden: oorspr. onbek.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut