Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rozijn - (gedroogde druif)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rozijn zn. ‘gedroogde druif’
Mnl. rosine, rosijn ‘gedroogde druif’ in frute, rosinen, vighen ende daden ‘vruchten, rozijnen, vijgen en dadels’ [1228-1349; MNW], vighen rosine appelen peeren & ander fruut ‘vijgen, rozijnen, appels, peren en ander fruit’ [1288-1301; VMNW], des zieken spise sal siin wellinge. amandelen melc. moruwe eyeren. gebraden appelen. rosiin ‘het voedsel voor de zieke moet bestaan uit brei, amandelmelk, zachte eieren, gepofte appels, rozijnen’ [1351; MNW-P]; vnnl. rasijn, rosijn ‘druif; gedroogde druif’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Picardisch roisin, rosin ‘druif’ [1422; FEW], variant van Oudfrans resin [ca. 1119; Rey] (Nieuwfrans raisin). Het Franse woord is ontleend aan middeleeuws Latijn racimus ‘id.’ [ca. 800; FEW], uit klassiek Latijn racēmus, dat aanvankelijk alleen ‘tros’ betekende, maar waarvan de betekenis zich verengde tot ‘tros druiven’ en ‘druif’. Het woord gaat mogelijk terug op een substraatwoord, afkomstig uit een mediterrane taal.
In het Frans en in de meeste Franse dialecten, ook de noordelijke, betekent het woord ‘druif’. De rozijn of gedroogde druif heet in het Frans raisin sec. In Vlaanderen werden rozijnen uit Picardië ingevoerd; omdat het woord druif al werd gebruikt voor de verse vrucht, kon het leenwoord rosine in het Nederlands ‘gedroogde druif’ gaan betekenen. Wrsch. is dit al vanaf de oudste Middelnederlandse attestaties het geval, hoewel dat meestal niet direct uit de context blijkt. Dat Kiliaan (1599) expliciet de betekenis ‘(verse) wijndruif’ noemt, wil niet noodzakelijk zeggen dat die toen buiten de humanistische kringen waarin hij zich bewoog, erg gangbaar was.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rozijn [gedroogde druif] {rosine 1288} < picardisch rosin < latijn racemus [druif, druiventros], verwant met grieks rax (2e nv. ragos) [druif], beide ontleend aan een oude mediterrane taal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rozijn znw. v., mnl. rosîne v. ‘druif, rozijn’, mnd. rosine (> nhd. rosine) < pikard. rosin; dit staat naast fra. raisin > vulg. lat. *racīmus > lat. racēmus ‘steel van druiventros’, dan ook ‘druif’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rozijn znw., mnl. rosîne v. “druif, rozijn”. Wsch. niet direct uit fr. raisin “druif” (< lat. racêmus) — dan zou de o in ̓t Ndl. vóór den toon uit a zijn ontstaan —, maar uit den pic. dialectvorm rosin. Laat-mhd. rôsîn (nhd. rosine), mnd. rosîn(e) v. “rozijn” wsch. uit ’t Ndl. Kil. rasijn uit fr. raisin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rozijn v., gelijk Hgd. rosine, uit Mlat. rosinam (-a), een vervorming van Fr. raisin = druif. van Lat. racemum (-us) = druiventros.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rezijn (zn.) rozijn; Middelnederlands rosine <1228-1349> < Frans raisin.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rosyn s.nw. (gewoonlik in die verkleinw. rosyntjie)
Gedroogde druiwekorrel.
Uit Ndl. rozijn (al Mnl.).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die verkleinw. rosyntjie (1844).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rosyn: gew. dim. rosyntjie, gedroogde druiwekorrel; Ndl. rozijn (Mnl. rosine, “druif; rosyn”), Hd. rosine, uit Pik. rosin (Fr. raisin wu. Eng. raisin), hou verb. m. Lat. racēmus, “druiwerankie; druiwetros; druiwekorrel”), by vRieb o.a. rasijnen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rozijn (Picardisch rosin)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rozijn, van ’t Fr. raisin en dit van ’t M.-Latijn rosina, uit ’t Lat. racemus = druiventros.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rozijn ‘gedroogde druif’ -> Duits Rosine ‘gedroogde druif’; Deens rosin ‘gedroogde druif’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors rosin ‘gedroogde druif’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels rosyntjie ‘kleine gedroogde vrucht’ ; Indonesisch rozijn /rozén/ ‘gedroogde druif’; Papiaments † razyntjie, rozyntje chikitu ‘krent’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rozijn gedroogde druif 1288 [CG I2, 1337] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut