Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

roven - (met geweld wegnemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

roven ww. ‘met geweld wegnemen’
Mnl. rouen ‘roven, met geweld wegnemen’ [1240; Bern.], hi wel mîs líves rouen ‘hij wil mijn leven nemen’ [1250; VMNW].
Os. rōƀon (mnd. roven en door ontlening on. raufa); ohd. raubōn (nhd. rauben); ofri. rāvia (maar nfri. rôvje is ontleend aan het Nederlands); oe. rēafian (ne. reave); got. bi-raubon; alle ‘roven, plunderen e.d.’; on. raufa ‘doorboren, zich toegang verschaffen’ (znw. röva ‘roven’); < pgm. *raubōn-. Ontleend als Oudfrans rober ‘roven’ > Nieuwfrans dérober, Engels rob.
Afleiding van *rauba-, waaruit: onl. rouf ‘geroofde buit’ in rouuas ne ruokit te gerone ‘verlang niet geroofde buit te begeren’ [10e eeuw; W.Ps.] (mnl./nnl. roof); os. rōf; ohd. roub; ofri. rāf; oe. rēaf; alle ‘roof, plundering’ (zie ook → robe), naast on. rauf ‘gat, scheur’ (nzw. röv ‘anus’) < pgm. *raufa-. Het Oudnoords geeft de oorspr. betekenissen weer; de betekenisovergang van ‘gat, scheur’ naar ‘roof’ c.q. ‘roven’ is dan te vergelijken met die bij → breken naar ‘inbreken, roven’.
Pgm. *rauba- ‘scheur’ hoort ablautend bij het sterke werkwoord *reufan- ‘scheuren’, waaruit on. rjúfa ‘id.’ (nno. rjuva) en verder alleen het verl.deelw. oe. rofen ‘gebroken’. Ten slotte hoort hierbij nog het causatief pgm. *raubjan-, waaruit on. reyfa ‘doorboren, zich toegang verschaffen; roven’ (nzw. röva ‘roven’).
Verwant met: Latijn rumpere (verl.deelw. ruptum) ‘verscheuren, openbreken’ (zie ook → route, → ruiter, en verder bijv.abrupt, → bankroet, → corrumperen, → eruptie, → interrumperen); Sanskrit lumpàti ‘verbreken’, rúpyati ‘pijn in de buik hebben’; < pie. *reup-, *rup- ‘breken, verscheuren’ (LIV 510). Wrsch. horen hierbij ook de Baltische woorden voor ‘ruw’ e.d.: Litouws rupùs ‘ruw’, rùpti ‘ruw worden’, raũpti ‘openwrijven’, rupūžė ‘pad’ (vanwege de ruwe huid). In dat geval kan ook → rob (vanwege de ruwe huid?) hierbij horen en Engels rub ‘wrijven’ (zie → rubber).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

roven* [wegnemen] {1201-1250} oudsaksisch roƀon, oudhoogduits roubon, oudengels reafian [roven], oudnoors raufa [doorboren, inbreken], naast oudengels beriefan, oudnoors reyfa [boren, rukken, plunderen], gotisch biraubon [beroven]; buiten het germ. latijn rumpere [breken, scheuren], oudindisch ropayati [hij breekt af].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

roven ww. mnl. rôven ‘roven, beroven, plunderen’, os. rōƀon, ond. roubōn (nhd. rauben) ‘roven, beroven’, ofri. rāvia ‘roven, beslag leggen op, panden’, oe. rēafian (ne. reave) ‘plunderen, roven’, maar on. raufa ‘doorboren’ (de bet. ‘roven’ uit mnd. rōven). Daarnaast oe. beriēfan ‘beroven’, on. reyfa ‘doorboren, rukken, plunderen’. — Zie verder: roof 1.

De afl. rover > me. rovere (± 1390), ne. rover ‘(zee)rover’ (vgl. Toll 71).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

roof I (het rooven), mnl. roof m. (o.) “het rooven, buit, (gron.) het inbeslagnemen, panden”. = ohd. roup (b; nhd. raub) m. “roof, buit”, os. rôf (in nôd-rôf “gewelddadige berooving”), ofri. râf o. “roof, beslaglegging, panding”, ags. rêaf o. “roof, buit”. Hierbij ’t ww. roven, mnl. rôven “rooven, berooven, plunderen” (fri.-gron. ook “beslag leggen op, panden”), ohd. roubôn (nhd. rauben), os. rôƀon “rooven, berooven”, ofri. râvia “id., beslag leggen op, panden”, ags. rêafian “plunderen, rooven” (eng. to reave), on. raufa “doorboren, rooven, plunderen”, got. de samenst. bi-raubon “berooven”. Hiernaast ags. be-rîefan “berooven”, on. reyfa “doorboren, rukken, plunderen” en met ablaut ags. rêofan “breken, scheuren”, on. rjûfa “breken, een gat maken”. De oorspr. bet. van de basis is “breken, scheuren”. Deze maakt ook de bett. van on. rauf v. “gat” en van gloss. bern. wollen roof, Kil. roof van t’ schaep “vellus” (nog hagelandsch roof “wol, jaarlijks van ’t schaap geschoren”, Roermondsch geruif “wol van één schaap”), on. reyfi o. “afgeplukte wol, vlies” begrijpelijk. Ags. rêaf o. “kleedingstuk”, in samenst. ook “tapijt, deken”, kan oorspr. “afgescheurd vel” beteekend hebben, mhd. roup m. “oogst” kan = “’t afgeplukte” zijn. Met ablaut nog on. val-rof o. “spolia”. Verwant zijn lat. ru-m-po “ik breek”, serv. rȕpa “gat, kuil”, po. rypacˊ “scindere, friare”, oi. ropa- “gat”, misschien ook oi. lumpáti “hij breekt, plundert” (kan ook idg. l hebben) en ier. ropp “stootsch dier”. Ook lit. rûpéti “zich bekommeren om”, rũpestis “zorg” brengt men bij deze basis, voor de bet. wijzend op oi. rujáti “hij breekt”: lat. lûgeo “ik treur”. Voor eventueele verdere verwanten uit ’t Balt. vgl. rob; bij de daar genoemde woorden sluiten zich lit. raupas “pok”, raupsaĩ “uitslag” aan, die wel niet de oorspr. bet. “gat (in de huid)” zullen hebben. De rom. groep, waartoe fr. robe “kleed” hoort, wordt uit ’t Germ. afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rooven o.w., Mnl. roven, Os. rôbon + Ohd. roubôn (Mhd. rouben, Nhd. rauben), Ags. réafian (Eng. to reave), Ofri. rávia, On. raufa, Go. raubon: denomin. van roof, Mnl. id., Os. rôf + Ohd. roub (Mhd. roup, Nhd. raub), Ags. réaf, Ofri. ráf, On. rauf, verbaalabstr. van den stam van ’t enk. imp. van *rieven = breken, onttrekken + Ags. réofan, On. rjúfa + Skr. wrt. rup, Lat. rumpere, praeter. rupi = breken, Lit. rupas = ruw: Idg. wrt. reu̯p. Uit het Germ. werkw. komt Fr. dérober, en van het subst. robe = buitgemaakte soldatenuitrusting, kleed (z. reeuw 2 en gerief).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3roof ww. Ook rowe.
Met geweld steel of wegvoer.
Uit Ndl. roven (al Mnl.).
Vgl. 2roof.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

roof I: gewelddadige diefstal, plundering; Ndl. roof (Mnl. roof), Hd. raub, Oeng. reaf, “buit”; hierby Afr. ww. roof, “plunder, steel”, Ndl. ro(o)ven (Mnl. roven), Hd. rauben, Eng. reave, “plunder”, bereave, “ontneem”, hou misk. verb. m. Lat. rumpere, “breek; vernietig”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rooven, van den Germ. wt. reub, reuf (Idg. rup) = wegnemen, verbreken (den samenhang of de kracht wegnemen). – Verwant in ’t Fr. robe (kleed), dat oorspr. ziet op het kleed, dat aan den vijand werd ontroofd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

roven ‘wegnemen’ -> Fries rôvje ‘wegkapen’; Engels † rove ‘ter kaap varen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds roffa ‘bemachtigen, wegkapen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ryövätä ‘(be)roven’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests röövima, röövmä ‘(be)roven’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dérober ‘(be)roven’ Frankisch; Baskisch arrobatu ‘(be)roven, stelen; met zich mee voeren, losslaan, doen eroderen’ ; Negerhollands roof ‘wegnemen, plunderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

roven* wegnemen 1130 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut