Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rouw - (smart)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rouwen ww. ‘treuren’
Mnl. rouwen ‘berouwen, spijten’ in Dat hem en darf nit harde rowen ‘dat het hem niet erg hoeft te spijten’ [1265-70; VMNW], Dat rout mi sere ‘dat maakt mij zeer bedroefd’ [1270-90; VMNW]; vnnl. rouwen ‘treuren, droefheid voelen’ [1623; iWNT].
Os. hreuwan (mnd. ruwen); ohd. riuwan (nhd. reuen); ofri. hriuwa, riouwa (nfri. rouwe, rouje); oe. hrēowan (ne. rue); alle ‘treuren, jammeren’, < pgm. *hreuwan-. Hierbij hoort ook het zn. *hreuwō- ‘droefheid’, waaruit: mnl. rouwe (zie onder); mnd. rouwe, ruwe; ohd. hriuwa, riuwa (nhd. Reue); oe. hrēow (ne. rue); nno. rogg ‘angst’. Daarnaast als bn. pgm. *hreuwa- ‘bedroefd’, waaruit: os. hriwi; oe. hrēow; on. hryggr.
Misschien verwant met Sanskrit karuṇa- ‘beklagenswaardig’. Verwantschap met Grieks kroúein ‘stoten, slaan’ en Litouws krùšti ‘stuk stoten’ lijkt weinig wrsch. (Seebold 1970, 279).
De oorspr. betekenis van dit woord is overgegaan op de afleiding berouwen, dat al Oudnederlands is, zie → berouw. Tegenwoordig heeft rouwen alleen nog betrekking op verdriet na iemands overlijden.
rouw zn. ‘droefheid’. Onl. rouwa ‘berouw, spijtbetuiging’ in mith wirthegaro ruowon ‘met waardige spijt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. rouwe ‘droefheid, verdriet’ in des lidic an dien herten rouwe ‘daarom voel ik in mijn hart verdriet’ [1220-40; VMNW]; nnl. rouw. Afleiding van rouwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rouw* [smart] {rouw(e), rou [smart, rouwmisbaar, berouw] 1220-1240} middelnederduits r(o)uwe, oudhoogduits (h)riuwa, oudengels hreow, oudnoors hryggr; verbindingen binnen het i.-e. zijn onzeker, hoewel men vaak een verbinding legt met oudindisch karuṇa- [beklagenswaardig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rouw 1 znw., mnl. rouwe v. m. ‘smart, rouw, berouw’, mnd. rouwe, ruwe v. m., ohd. hriuwa, riuwa v. (nhd. reue), oe. hrēow v. naast het bnw. os. hriwi, oe. hrēow, on. hryggr ‘bedroefd’. — Zie: rouwen.

De germ. grondvorm zal zijn *hreuwa, waarvoor verschillende aanknopingen zijn gegeven. — 1. Bij de groep van ruw (Uhlenbeck PBΒ 26, 1901, 306), wat weinig waarschijnlijk is. — 2. Bij oi. karuṇa ‘beklagenswaardig, medelijden wekkend’ (Persson SVS Uppsala 10, 1912, 178). — 3. Bij de idg. wt. *kreu ‘stoten, slaan, breken’, vgl. gr. krouō (< krousō) ‘stoten, slaan, breken’, lit. krùšu, krùšti ‘stampen, stukstoten’, osl. ŭkruchŭ ‘brokstuk’, sŭ-krusiti ‘stukbreken’, vgl. nog on. hrosti ‘gemout koren’ (IEW 622).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rouw I znw., mnl. rouwe v. m. “smart, (het bedrijven van) rouw, berouw”. = ohd. (h)riuwa v. (nhd. reue), mnd. rouwe, rûwe v. m., ags. hrêow v. “id.” (*χreuwô-, *χreuwan-). Hierbij ’t bnw. os. hriwi, ags. hrêow, on. hryggr “bedroefd” (*χreuwu-), ̓t ohd. abstractum hriuwî v. “smart” en ’t ww. mnl. rouwen, “bedroeven, spijten, berouwen, spijt hebben” (nnl. rouwen), ohd. (h)riuwan “bedroefd zijn, bedroeven”, os. hreuwan “bedroeven, beklagen”, ags. hrêowan “bedroeven, spijten” (eng. to rue), on. hryggva “bedroeven” *χreuwanan). Men heeft, voor de bet. ags. drêorig “treurig”: drêor m. “bloed” vergelijkend, aan verwantschap met ier. crû “bloed” enz. (zie rauw) gedacht. Toch is semantisch de combinatie met gr. kroúō ik stoot, sla”, obg. u-kruchŭ “brok”, lit. kriùszti “stampen, stukstooten”, lett. krausêt “stampen” — die dan van een verlengde basis qru-s- komen — aannemelijker: vgl. voor de bet. lit. láużyti “breken” (ook van smart): lett. lauʃît “smart veroorzaken”. Van den niet verlengden wortel wellicht on. hrumr “gebrekkig”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rouw 1 m. (treurnis, rouwgewaad), Mnl. rouwe, met dial. ou = û (ui) vóór w; Os. adj. hriwi + Ohd. riuwa (Mhd. reue). Ags. hréow: verbaalabstr. van *ruwen, Os. hreuwan = bedroeven, Mnd. ruwen, rouwen + Ohd. riuwan (Mhd. riuwen), Ags. hréowan (Eng. to rue), On. hryggva. Het tegenw. rouwen is denomin, van rouw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1rou s.nw.
1. Droefheid, smart. 2. Teken van droefheid, uiting van smart.
Uit Ndl. rouw (al Mnl.).
D. Reue, Eng. rue.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rou II: droefheid, leed, smart; Ndl. rouw (Mnl. rouwe), Hd. reue; hierby ww. Ndl. rouwen (Mnl. rouwen, “bedroef; spyt”), Hd. (be)reuen, Eng. rue, afl. v. rou II, as s.nw.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rouw (het Os. hriwi = rouwig; Hgd. Reue), van den Germ. wt. hreu = treurig zijn of maken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rouw ‘smart’ -> Papiaments rou ‘smart’; Sranantongo low ‘droefheid over de dood van iemand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rouw* smart 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal