Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rotten - (bederven, tot ontbinding overgaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rotten ww. ‘bederven, tot ontbinding overgaan’
Mnl. rotten ‘bederven’ in dat paus vleesch binnen .j. jare none stinket no rot ‘dat pauwenvlees binnen een jaar stinkt noch rot’ [1287; VMNW]. Daarnaast ook de vorm mnl. roten in Ende do ne rotet in ghere wise ‘en toen rotte het (voedsel) op geen enkele wijze’ [1285; VMNW roten].
Os. rotōn (mnd. roten); ohd. rozzēn (nhd. rotten is ontleend aan het Nederduits); ofri. rotia (nfri. rotsje); oe. rotian (ne. rot); alle ‘bederven, vergaan’, < pgm. *rutēn- (ohd.), rutōn-. Daarnaast on. rotinn ‘verrot, bedorven’ (nzw. rutten) (met jongere afleiding on. rotna ‘verrotten’, nzw. ruttna), waarvan men veronderstelt dat het het enige spoor is van een met pgm. *rut- ablautend sterk werkwoord pgm. *reutan- ‘bederven’. Hierbij nog het causatief *raut-jan- ‘doen bederven’, waaruit nzw. röta ‘id.’.
Verdere herkomst onbekend. Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans.
rot 2 bn. ‘bedorven’. Vnnl. rot ‘id.’ blijkens de afleiding rotheid ‘het rot zijn’ in Gheen wonde en gheneest so lange als die rotheit overvloedich is [1514; MNW], rot ‘id.’ [1573; Thes.]. Afleiding van rotten. Ook veelal gebruikt als voorvoegsel in de betekenis ‘zeer onaangenaam’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rotten* [verrotten] {1287} middelnederduits rotten, oudhoogduits rozēn, oudfries rotia, oudengels rotian, oudnoors rotinn [verrot], verwant met roten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rotten ww. mnl. mnd. rotten staat naast mnl. mnd. rōten, os. rōtōn, ohd. roʒʒēn (nhd. rotten uit nd.), ofri. oe. rotian (ne. rot) ‘rotten, vergaan’, vgl. verder on. rotinn ‘verrot’ (maar vgl. ōrotinn ‘wie de haren niet verloren heeft’). — Een afl. van de idg. wt. *reud ‘stukscheuren’, waarvoor zie: roten en ruiter.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rot III bnw. Bestond reeds in 1514: dan komt ’t znw. rotheit v. voor. Rot is gevormd bij mnl. rotten (nnl. rotten) = mnd. rotten (nhd. ver-rotten) “rotten”, naast ’t meer verbreide mnl. mnd. rōten, ohd. roʒʒên, os. roton, ags. rotian (eng. to rot) “rotten, vergaan”. In ’t On. komen rotna “id.” en rotinn “verrot” voor (eng. rotten “id.” uit ̓t Ngerm.). Met ablaut ohd. rôʒên “rotten”, mnl. rôten “vlas roten” (nnl. inconsequent met één o gespeld: roten), mhd. rœʒen (nhd. rösten, dial. ook rössen e.a.vormen), mnd. rôten, eng. to ret “id.”, on. reyta “plukken, rukken”. Wsch. niet met lat. rûdus “puin” verwant, waarover zie bij gort. Veeleer is de idg. basis ru-d- evenals ru-r- (waarvan got. riurs “vergankelijk”, on. rŷrr “gering, onbeduidend”) een verlenging van den bij rooien II besproken wortel ru-.

[samen-]rotten ww. Kil. rotten. Van rot II.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

something is rotten in the state of Denmark (Engels something is rotten in the state of Denmark)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

rotten. In De Hunnen [1983] van Jan Cremer komt de verwensing rot in de hel! voor. En van enige fijnzinnigheid is in de verwensingen rot weg! en rot naar je familiegraf! niets te vinden. Beide verwensingen wensen het slachtoffer van iemands woede veel onheil toe. De emotionele betekenis is dan ook ‘ik walg van je’. De Ley (1994: 80) vermeldt nog de volgende Arabische vloek: moge uw linkeroor rotten en in uw rechterzak vallen. En een zegsman uit Hilversum stuurde als variant van de eerste regel van het verwensingsversje stik, verrek, verrot, verteer op: stik, sterf, rot, verteer. → familiegraf, hel, oprotten.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rotten (verrotten), van den Germ. wt. raut, rut: murw worden of maken; ook: vergaan, verteren. Vgl.: vlas roten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rotten* verrotten 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut