Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rook - (damp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rook zn. ‘zichtbaar gas’
Onl. rouc ‘rook’ in Also teferit rouc tefarin ‘mogen zij vergaan zoals rook vergaat’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. roech (met Hoogduitse eindklank) [1240; Bern.], normaal rooc (en spellingvarianten), in War rok is ... dar is vir ‘waar rook is, daar is vuur’ [1270-90; VMNW].
Os. rōk (mnd. rōk); ohd. rouh (nhd. Rauch); ofri. rēk (nfri. reek, riik); oe. riec, rēc (ne. reek ‘stank’, vero. en dial. ‘rook’); on. reykr (nzw. rök); alle ‘rook, damp’, < pgm. *rauki-, ablautend verwant met → ruiken. Afgeleid van de respectieve zn. zijn, alle met betekenis ‘rook verspreiden, offeren e.d.’: mnl. roken (zie onder); ohd. rouhhen (nhd. rauchen); ofri. rēka (nfri. rikje); oe. riecan; on. reykja (nzw. röka).
roken ww. ‘rook verspreiden; (een tabaksproduct) gebruiken, voedingsmiddelen verduurzamen d.m.v. rook’. Mnl. roken ‘rook verspreiden’ [1240; Bern.], alsmen ... Die berghe siet roken [1285; VMNW]; vnnl. roocken het vleesch ‘vlees verduurzamen door het enige tijd in rook te laten hangen’ [1599; Kil.]; nnl. roken ‘rook van tabak inhaleren enz.’ in Je rookt als helsche nikkers ‘... als duivels uit de hel’ [1660; iWNT], Toback te roocken [1668; iWNT tabak]. Afleiding van rook.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rook1* [damp] {oudnederlands rouc 901-1000, middelnederlands roke, rooc [rook, wasem]} oudsaksisch rōk, oudhoogduits rouh, oudfries rēk, oudengels rēc, riec (engels reek), oudnoors reykr; ablautend naast ruiken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rook 1 znw. m. ‘damp’, mnl. rooc m. ‘rook, wasem’, onfrank. rouc, os. rōk, ohd. rouh (nhd. rauch) ‘rook, damp’, ofri. rēk, oe. rēc (ne. reek), on. reykr ‘rook’. — Zie: ruiken en roken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rook I (damp), mnl. rooc m. “rook, wasem”. = onfr. rouc “fumus”, ohd. rouh (hh) m. “rook, damp” (nhd. rauch), os. rôk, ofri. rêk, ags. rêc (eng. reek), on. reykr m. “rook”, germ. *rauki-. Ablautend met ruiken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rook 1 m. (damp), Mnl. id., Os. rôk, Onfra. rouk + Ohd. rouh (Mhd. rouch, Nhd. rauch), Ags. réc (Eng. reek), Ofri. rék, On. reykr (Zw. rök, De. røg): van denz. stam als het enk. imp. van ruiken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rouk (zn.) rook; Aajdnederlands rouc <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1rook s.nw.
1. Sigbare dampe wat by verbranding van stowwe ontstaan. 2. Beeld van verganklikheid en onbestendigheid.
Uit Ndl. rook (al Mnl. in bet. 1, 1561 in bet. 2), 'n ablautvorm van ruiken 'ruik'.
D. Rauch, Eng. reek, Sweeds rök.
Vgl. ruik.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rook: damp, mis, wasem m. as en/of ander verbrande materiaal gevul; Ndl. rook (Mnl. rooc), Hd. rauch, Eng. reek; hierby ww. Ndl. ro(o)ken, Hd. rauchen, Eng. reek, Afr. rook; hou verb. m. reuk en ruik.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

rook. De zestiende- en zeventiende-eeuwse bastaardvloek by gans roock moeten wij waarschijnlijk interpreteren als ‘bij Gods lichaamsgeur, bij Gods zweetlucht’. Ongetwijfeld gaat ook deze vloek op het lijden van Jezus Christus terug. → zweet.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rook, van den Germ. wt. ruk = rooken, waarmee ook ruiken in verband staat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rook ‘damp’ -> Negerhollands rook ‘damp’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rook* damp 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut