Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rooien - (ontwortelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rooien ww. ‘ontwortelen’
Mnl. reden (lees roden) ‘ontwortelen, rooien; land geschikt maken voor bebouwing’ [1240; Bern.], Dat men dat wout soude roden ‘dat men het woud zou rooien’ [1285; VMNW], stocken ... uuytroeijen ‘boomstammen ontwortelen’ [1405; MNW uteroden]; nnl. rooien. Daarnaast al vroeg het zn. onl. rotha ‘gerooid bos’ in vele toponiemen, bijv. Selmetrodha ‘plaats in Oost-Vlaanderen’ (met onbekend eerste lid) [768-814, kopie 941; Gysseling 1960], Fletharrothe ‘huis in Twente, Overijssel’ (met eerste lid ‘vlier’) [991-1000; Künzel, 319]; mnl. rode.
Ontstaan uit mnl. roden met wegval van intervocalische -d-, zoals bij spreektalig rooie uit rode.
Mnd. roden (door ontlening mhd./nhd. roden); mhd. roten (nhd. ausrotten ‘uitroeien’); ofri. -rothia (nfri. roegje, roeie); alle ‘rooien’ of ‘leeg maken’; < pgm. *rudōn-. Daarnaast staat pgm. *rudjan-, waaruit: oe. aryddan ‘plunderen, leegroven’; on. ryðja ‘rooien, opruimen’ (nzw. rödja, röja, nde./nno. rydde; door ontlening me. ridden, ne. rid ‘ontdoen van, ontlasten’). Ablautend (voltrap) is bovendien pgm. *reudjan-, waaruit: mnd. ruden ‘rooien’; ohd. riuten ‘id.’ (nhd. dial. reuten); en wellicht mnl. *ruden ‘zich ontdoen van haren’, zie → ruien.
De wortel pgm. *reud- wijst op pie. *reudh- (LIV 509), maar de verdere herkomst is onzeker. Misschien is Avestisch raoiðiia- (bn.) ‘bebouwbaar’ verwant.
De lange -o- in dit woord werd in het Middelnederlands ook wel geschreven als -oe- en is daarom niet te onderscheiden van de nevenvorm roeden met uitspraak /oe/, die heeft geleid tot vnnl. roeden, roeien en die tegenwoordig nog bestaat in overdrachtelijke betekenis in de afleiding → uitroeien ‘vernietigen’. Zie ook → berooid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rooien2* [ontwortelen] {in de plaatsnaam Rothen, nu Roden (Drente) <1139>, roden, roeden 1266} middelnederduits, middelhoogduits riuten, oudfries rothia, oudnoors ryðja; buiten het germ. latijn ruere [uitrukken], litouws rauti [idem] (vgl. uitroeien).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rooien 2 ww. ‘grond van bomen en wortels bevrijden’, mnl. rōden ‘uit de grond halen, voor bebouwing geschikt maken’, mnd. rōden, mhd. roden (nhd. roden), ofri. rothia (vgl. to-rothia ‘uit de grond halen’); waarnaast oe. aryddan ‘expilare’, on. ryðja (> ne. rid) rooien, leeg maken’. — Verder abl. ohd. riuten, nhd. reuten, mnd. rüden ‘bebouwbaar maken’, on. rjōða (naast hrjōða!) ‘rooien’. — av. raoiðya ‘bebouwbaar maken’ van de idg. wt. *reudh (de friese vorm met th is te geïsoleerd om een wt. *reut aan te nemen). — > ne. rode ‘een sloot van planten zuiveren’ (sedert 1616, vgl. Bense 332).

Wij moeten uitgaan van de wt. *reu ‘uittrekken, omwoelen’ (IEW 868-871), waarvoor vgl. lat. ruo ‘optrekken, woelen’, oi. rav-, ru-’stukslaan’, miers ruam ‘spade’, lit. ráuju, ráuti ‘uitrukken, wieden’, vgl. on. rȳja ‘wol uitplukken van het schaap’, os. rūwi v. ‘ruw vel’ en on. rǫgg (< *rawwa) ‘lang haar, lange wol’. — Daarvan zijn afgeleid:
met b zie: got. raupjan, ohd. roufen, mhd. roufen, rupfen ‘plukken’
met d zie: ruiter en rot 3
met dh zie: rooien 2
met k zie: ruig
met p zie: roof 1
met s zie: rul.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rooien II (een akker, boomen enz.), mnl. rōden “uit den grond halen, voor bebouwing geschikt maken”. = mhd. (md.), mnd. rōden “id.” (nhd. roden), ofri. rothia (in tô-rothia “uit den grond halen”). Met hetzelfde vocalisme ohd. rod (nog in plaatsnamen), on. ruð o. “gerooid veld” en ags. â-ryddan “expilare” (eng. to rid), on. ryðja “bebouwbaar maken, leeg maken”. Met ablaut mhd. rieten “uitroeien, vernietigen”, ags. rêodan “dooden” (tenzij ’t = “bloedig maken” bij rood hoort), on. rjôða “leeg maken” (naast hrjôða), rjôðr o. “boomlooze, gerooide plek in ’t bosch”, ohd. riuti o. “gerooid land”, riuten (nhd. reuten) “land rooien”, misschien ook mnl., mnd. rûden “een water van planten reinigen” (zie opruien). Mhd. (nhd.) rütteln “schudden” zal wel niet hierbij hooren, wsch. ook niet os. rotherstidiu “saltu”. De th van ofri. tô-rothia bewijst een idg. t, zoodat de directe combinatie met av. raoδya-, raoiδya — “gerooid” of “rooibaar” (onzekere bet.) onmogelijk is. De basis ru-t-, reu-t- is (evenals wellicht ru-s-, zie rul; ru-d-, ru-r-, zie rot III) een verlenging van ru-, reu-, waarvan on. rŷja “wol uitrukken”, noorw. dial. v. “winterwol” (on. rǫgg v., rǫggr m. “lange, grove wol”? Zie rag) komen en buiten ’t Germ. ier. ruam “schop, spa”, lat. rū̆trum “id., troffel”, ruo “ik ruk uit, woel”, obg. rŭvą, rŭvati “uitplukken”, ryją, ryti “graven”, lit. ráuju, ráuti “uitrukken, uitwieden”, oi. rav-, ru- “stukslaan, verbrijzelen”, misschien nog gr. rūtós “opgegraven”, erusí-thōn “de aarde opwoelend”. Uit ’t Germ. hierbij nog ruin en riem I? En ohd. riostar, riostra “ploegstaart”, ags. rêost “hout waarin de ploegschaar zit” (eng. rest)?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rooien II. Eng. to rid uit on. ryðja.
Hoewel ofri. tô-rothia voorkomt in een tekst die ten aanzien van het onderscheid tussen d en th nauwkeurig is, moet men toch wegens het algeheel ontbreken van vormen met þ in andere germ. talen aan de mogelijkheid van een verschrijving voor -rodia denken. In dat geval zou rechtstreekse combinatie met av. raoδya-, raoiδya- mogelijk zijn.
(Slot). Eng. rest in () achter ags. rêost: gewone schrijfwijze reest.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

uitroeien o.w. (ontwortelen), Mnl. roeden, roden + Mhd. roden (Nhd. id.), Ags. ryddan (Eng. to rid), On. ryđja: bijvorm van Mhd. riuten (Nhd. reuten); beide denom. van Ohd. ruda en riuti, Ndl. rode en ruide = plaats in een bosch waar alles weggehakt is (van daar de plaatsnamen met rode en rade) + Skr. wrt. ru = verbrijzelen, Lat. ruere = woelen, rutrum = spa, Oier. ruam = spa, Osl. rŭvati = uitplukken, Lit. rauti = uitrukken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

roeien ww.: rooien (bomen). Zoals Ndl. rooien, (uit)roeien door d-syncope uit Mnl. roden, roeden ‘rooien’, Ofri. rothia, Mnd. roden, Mhd. roden, roten, rûten, rutten, D. roden ‘rooien’ (b.v. in pln. Wernigerode), ausrotten ‘uitroeien’, naast Mhd. riuten > D. reuten (b.v. in pln. Bayreuth). Idg. *reudh- ‘rooien’, dentale uitbreiding van Idg. *reu- ‘graven’. Vgl. ook de familienamen Van Rode > Van Rooi, Van Roey.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

reun (FV), ww.: rooien. Door d-syncope < Mnl. reuden, roden ‘rooien’.

roon 2, ronen (DB), ww.: rooien, boomwortels uitrooien. Vroegnnl. roon oft roden een bosch ‘arracher un bois’ (Lambrecht). Door d-syncope uit roden (zie reulen, reunen). Roon werd achteraf als ronen (met sonantische n) gehoord.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rooien ‘ontwortelen’ -> Engels rode ‘van onkruid ontdoen’; Frans † déroder ‘in een bos het vervallen hout omhakken, waarbij ook de boomstronken weggehaald worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rooien* ontwortelen 0976-1000 [Künzel]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

reu-2, reu̯ǝ- : rū̆- ‘aufreißen, graben, aufwühlen; ausreißen; raffen’, Partiz. Perf. Pass. rū̆-tó-, zum Teil, wie es scheint, noch volleres ereu- (s. unten)

Ai. rav-, ru- ‘zerschlagen, zerschmettern’ (rávat, rudhí, rāviṣam, rṓruvat; Bed. wohl aus ‘her und in Stücke reißen’), Partiz. rutá- ‘zerschlagen, zerschmettert’ (= lat. dī-, ē-, ob-rŭtus); rṓman-, lṓman ‘Haar’ (vgl. unten n. ir. rūaimneach und aisl. rǫgg ‘langes Haar’); gr. ἐρῠσί-χθων ‘die Erde aufwühlend’;
lat. ruō in der Bed. ‘aufreißen, wühlen, scharren’, ē-, dī-, ob-ruō, -rŭtus (s. oben), rūta caesa ‘alles, was auf einem Grundstück ausgegraben und gefällt ist’, rū̆trum ‘Spaten, Hacke, Kelle’, rutellum ‘kleine Schaufel’, rutābulum ‘Schaufel, Scharre’;
mir. rūam ‘Spaten, Grabscheit’, rūamar ‘effossio’; nir. rūaimneach ‘langes Haar’;
aisl. rȳja ‘den Schafen die Wolle ausreißen’ (norw. f. ‘Winterwolle’), as. rūwi f. ‘rauhes Fell’;
aisl. rǫgg f., rǫggr m. ‘langes Haar, lange Wolle’ (*rawwa-), schwed. rugg ‘zottiges Haar’ (*ruwwa-); daraus engl. rug;
got. riurs ‘vergänglich’ (riurjan ‘verderben’), aisl. rȳrr ‘gering, arm’;
vermutlich as. ahd. riomo ‘Riemen, ledernes Band, Gürtel’ (*’abgerissener Hautstreifen’), ags. rēoma, rēama ds., auch ‘dünne Haut’ (vgl. S. 873 *reugh-m(e)n- ‘Rahm’); mnd. mndl. rūn, rūne, schwäb. raun ‘Wallach, Gaul’, wegen ofries. han-rūne ‘Hahnrei’ (eigentlich ‘verschnittener Hahn’) ursprüngl. ‘equus castratus’, mnl. runen, ruynen ‘schneiden, kastrieren’; (nhd. runken); entlehnt lett. rūnīt ‘kastrieren’, ebenso finn. ruuna ‘Wallach’, ruunata ‘kastrieren’;
lit. ráuju, ráuti ‘ausreißen, ausjäten’, ravė́ti ‘jäten’ (rãvas ‘Straßengraben’, apr. rawys ‘Graben’ Lw. aus poln. rów ‘Graben’); lett. raûklis ‘Raufeisen’; aksl. ryjǫ, ryti ‘graben’, rъvǫ ‘reiße aus, jäte aus’, rylъ, rylo ‘Grabscheit, Spaten, Hacke’, rovъ ‘Graben, Grube’, runo ‘Fließ’;
s. auch oben S. 338 über ereu-2, wozu vielleicht auch lit. ùrvas m., auch ùrva f. ‘Höhle’.
Erweiterungen:
a. reub-: ‘reissen’ in lat. rubus ‘Brombeerstaude, Brombeere’ (‘*Strauch, woran man sich reißt’), rūbidus (panis i. e. ‘parum coctus’) ‘roh, rauhrissig’; vielleicht auch rubēta ‘Kröte’; mir. robb ‘Tier’?; germ. *raup-, *rupp- (mit Verschärfung) in got. raupjan ‘rupfen’, ags. rīepan ‘ausplündern’, ahd. roufen, mhd. roufen, reufen, raufen ‘rupfen’; mengl. ryppen, engl. rip ‘reißen’, mhd. rupfen, ropfen ‘rupfen’, aisl. ruppa, rupla ‘losreißen’, rupl n. ‘Beute, Raub’.
b. reud- ‘zerreissen’; rud-ló- ‘roh, wild’.
lat. rūdus, -eris n. ‘zerbröckeltes Gestein, Geröll, Schutt’; auch rudis ‘unbearbeitet, roh’, rullus ‘grob, bäurisch’ (*rud-lo-); mir. rūad ‘Ruine’, cymr. Pl. rhuddion ‘Abfall, Kleie’ (*roud-); anord. reyta (*rautjan) ‘abreißen, zerreißen, zerpflücken, rupfen’, auch mndl. rūten, holl. ruiten ‘reißen, plündern, rauben’, mnd. rüter, holl. ruiter (nhd. Reuter) ‘Plünderer, Räuber’ (Einfluß von mlat. ru(p)tarius); ein zugehöriges Wort für ‘Gerümpel’ setzt mhd. riuze, alt-riuze ‘wer mit Gerümpel handelt oder es ausbessert’ voraus; auf das durch Wässern und Faulenlassen des Flachses vorbereitete Ausziehen der Flachsfaser weisen aisl. rotinn ‘faul, verfault’ (aber ū-rotinn noch ‘wer die Haare nicht verloren’), rot n. ‘Fäulnis; Ohnmacht’, as. rotōn ‘von Rost verzehrt werden’, ags. rotian ‘faulen, welken’; mnd. rӧ̄ten ‘Flachs rösten’, ahd. rōzzen ‘faulen’, mhd. rōzzen und ræzen ‘faulen lassen’, nhd. bair. rӧ̄ssen ‘Flachs faulen lassen’ (umgebildet zu röstennach rösten ‘auf dem Rost braten’), mhd. rōz ‘mürbe’;
hierher ai. Rudrá- GN (*rud-lo-), pāli ludda- ‘grausam’ nach W. Wüst Rudrá-.
c. reudh- ‘reuten, roden’.
Av. raoiδya- ‘urbar zu machen’;
aisl. rjōða ‘reuten, räumen’, mhd. rieten st. V. ‘ausrotten, vernichten’; aisl. rjōðr n. ‘offene Stelle im Walde’, ahd. reod ‘gerodetes Land’, nhd. dial. Ried ds., ahd. riuti ds., riuten (*riutjan) ‘reuten’, ablaut. aisl. ruð n. ‘gerodete Stelle im Wald’, mnd. rot ‘das Roden’, aisl. ryðja ‘roden; aufräumen, ausrotten’, ags. ā-ryddan (engl. rid) ‘berauben, plündern’; mhd. roten, nhd. rotten; mnd. roden, daraus nhd. roden, afries. tō-rotha ‘ausrotten’.
d. reuk- (z. T. wohl auch reug-, reugh-?) ‘rupfen’.
ai. luñcati ‘rauft, rupft, enthülst’, luñcana- n. ‘das Ausrupfen, Ausraufen’, rūkṣá- s. unten; gr. ὀρύσσω, att. -ττω ‘grabe, scharre’, ὀρυχή, ὀρυγή ‘das Graben’, ὄρυγμα n. ‘Graben’, κατωρυχής ‘in der Erde vergraben’; lat. runcō, -āre ‘jäten, ausjäten’, runcō, -ōnis ‘Reuthacke, Jäthacke’; gr. ῥυκάνη ‘Hobel’ (der Vokalvorschlag getilgt etwa nach ῥῡσιάζω ‘reiße weg’ zu *u̯er-s-, -u-??), woraus lat. runcina ds. (-n- durch Fernassimilation, unterstützt durch runcāre); ir. rucht ‘Schwein’ (‘Wühler’ *ruktu-); mcymr. rhwgn ‘Reiben, Kerben’ (*runk-no-? s. Loth RC. 42, 138 f.);
mit dem Begriff der (ausgerauften) Wollzotten und der damit verbundenen Rauheit (wie S. 868 aisl. rǫgg): ai. rūkṣá- ‘rauh’, ahd. rūh, ags. rūh ‘rauh, behaart; ungebildet’; as. rūgi, rūwi f. ‘rauhes Fell, grobe Decke’, mhd. riuhe, rūhe ‘Pelzwerk’, nhd. Rauchwerk, ags. rȳhe, rūwa, rēowe ‘grobe Wolldecke’, aisl. rȳ f. ds.;
als ‘Riß, Furche’ vielleicht hierher lit. raũka f., raũkas m. ‘Runzel’, raukiù, raũkti ‘in Falten ziehen, runzeln’, runkù, rùkti ‘runzelig werden’ und mit g: lat. rūga ‘Runzel, Falte’.
e. reup- ‘ausreißen, zerreißen, brechen’; roupā- ‘Loch, Öffnung’, rūpēis- ‘Fels’.
ai. rōpayati ‘verursacht Reißen, bricht ab’, rúpyati ‘hat Reißen im Leibe’, *rōpa- n. ‘Loch, Höhle’ (= lit. raupaĩ, vgl. aisl. rauf f., serb. rȕpa);
lat. rumpō, -ere, rūpī, ruptum ‘brechen’, rūpēs ‘steile Felswand, Klippe, Felskluft, jäher Abgrund’ (vgl. unten lit. rupis ‘Fels’, wozu illyr. ON Ῥύπες, Achaia, und in ähnlicher Bed. nhd. Riepe ‘Schuttreuse’ und die tirol. Ortsnamen roupǝ, roufǝ, geschrieben Roppen, Rofen), rūpex, -icis ‘ruppiger klotziger Mensch, Rüpel’ (vgl. lit. rupùs ‘rauh, grob’);
aisl. riūfa, ags. rēofan ‘brechen, zerreißen’ (ahd. ā-riub ‘atrox, dirus’, eigentlich ‘ungebrochen’); aisl. rauf f. ‘Spalte, Loch’, ags. rēaf n. ‘Raub, Beute, Kleid, Rüstung’ (*roupā = slav. *rupa ‘Loch’), ahd. roub m. ds., zu got. bi-raubōn, ahd. roubōn, as. rōƀōn ‘rauben’, aisl. raufa ‘durchbrechen, rauben’ und reyfa ‘durchbohren, zerreißen’, ags. bе-rīefan ‘berauben’; aisl. reyfi ‘gerupfte Wolle, rauhes Fell’, mndl. roof ‘abgezogenes Fell’; geminiert ostfries. rubben ‘kratzen, reiben, rupfen’, nd. rubbelig, rubberig ‘uneben, rauh’, nhd. ruppig ‘struppig’, engl. rubble, rubbish ‘Schutt, Abfall’; aisl. rūfinn ‘borstig, struppig, rauhhaarig’; nhd. rüffeln ‘scheuern, hart zusetzen’;
lit. rūpė́ti ‘sich kümmern’, rūpùs ‘besorgt’ (zu russ. rupá ‘Sorge, Gram’), raupýti und (idg. Ablaut ou : ōu) ruõpti ‘graben, höhlen’, rùpas ‘rauh, holperig’, rupùs ‘rauh, grob’, rupìs ‘Fels’, ostlit. raupaĩ Pl. ‘Masern, Pocken’ (‘Rauhigkeit in der Haut’), raupsaĩ ‘Aussatz’; auch lit. rupužė̃, raupežė̃ ‘Kröte’ (von der Rauheit der Haut), vgl. auch lett. raupa ‘Gänsehaut’ (‘Schauder’); serb. rȕpa ‘Loch, Grube’ (*roupā), poln. rupić się ‘sich kümmern’, ablaut. rypać ‘scindere, friare’.
f. reus-: aisl. reyrr m. ‘Steinhaufen’, rūst f. ‘Trummer, zerfallene Mauer’ (s. oben S. 686 über ai. loṣṭá- m. n.); ahd. riostar ‘Pflugsterz’, ags. rēost ‘ein Teil des Pfluges’, nhd. dial. riester ‘Lappen zum Schuhflicken’; dän. ros ‘Schnitzel, Abfall’, norw. dial. ros, rys ‘Fischschuppe’, rus ‘dünne Schale’, rosa ‘ritzen, die Haut aufscheuern, sich lösen’, isl. rosm n. ‘Abfall’, rusl n. ‘Abfall’, as. ruslos m. Pl. ‘Speckseite’, ags. rysel m. Speck, Fett, u. dgl.; ndl. rul ‘locker und trocken, z. B. vom Sand, rauh’ (*ruzlá-); aisl. ryskja ‘reißen, rupfen’, norw. rusk ‘Abfall, Staub’ (auch mnd. rūsch ‘Eingeweide’, bair. geräusch? noch unsicherer mhd. roesche, nhd. dial. rösch ‘hart und leicht zerbrechlich u. dgl.’); mit germ. Wurzelvariation aisl. raska ‘in Unordnung bringen’; mit -p- wohl ahd. gi-rūspit gl. zu inhorruit (aper), und (als ‘im Halse kratzen’) nhd. räuspern, mhd. riuspern, riuspeln, rūspern, vgl. lat. rūspor, -āri ‘suchen’, eigentlich ‘aufreißend, durchwühlend, wonach forschend’, wie ital. ruspare ‘scharren (von der Henne)’, ruspo ‘rauh, neugemünzt’, rospo ‘Kröte’ zeigen;
lit. rausiù, raũsti ‘scharren, wühlen’, rūsỹs, rúsas ‘Grube für die Winterkartoffeln’, pelen-rũsis, -rūsà ‘Aschenbrödel’, rùsinti ‘schüren’, lett. raust ‘schüren, wühlen’, raustīt ‘zerren, reißen’, rūsa ‘aufgehäufter Schutt’; über aksl. rušiti ‘umstürzen’, *ruchъ ‘Bewegung’, s. oben S. 332.

WP. II 351 ff., WH. II 445 f., 447 f., 451 ff., Trautmann 240, 241, 247, Wissmann Nom. Postverb. 10, 130, 176 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal