Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rood - (bloedkleurig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rood bn. ‘bloedkleurig’
Onl. rōt ‘rood’ in plaatsnamen, bijv. Rodanburg ‘Roodenburg (Zuid-Holland)’ [918-948, kopie eind 11e eeuw; Künzel], in ther bruch thes ruoden epheles ‘het stuk van de rode appel’ [ca. 1100; Will.]; mnl. root in met somegen roden draden [1236; VMNW].
Os. rōd (mnd. rōt); ohd. rōt (nhd. rot); ofri. rād (nfri. read); oe. rēad (ne. red); on. rauðr (nzw. röd); got. rauþs; < pgm. *rauda- ‘rood’. Daarnaast ablautend pgm. *reuda- ‘rood’, waaruit: oe. rēod; on. rjóðr; en pgm. *ruda- ‘rood’, waarbij: ohd. roten ‘blozen’ (nhd. röten ‘blozen’); oe. rudian ‘rood worden’; on. ruð ‘rode kleur’; alle drie de ablauten vinden we in het sterke ww. on. rjóða (rauð, ruðum, roðinn) ‘roodkleuren’.
Verwant met: Umbrisch rofu (accusatief mv.) ‘rode’, Latijn dial. rūfus; Sanskrit róhita-; Avestisch raoiðita-; Litouws raũdas; Russisch vero. rúdyj, Tsjechisch rudý; Oudiers rūad, Welsh rhudd, Bretons ruz ‘rood’; < pie. *roudh-o ‘rood’ (IEW 872), waarnaast de afleiding met nultrap *rudh-ró, waaruit: Latijn ruber; Grieks eruthrós; Sanskrit rudhirá-; Oudkerkslavisch rĭdĭrŭ (Russisch rëdryj); Tochaars A rtärye, rätram, Tochaars B ratre. Alle genoemde woorden geven een rode of roodachtige kleur aan. Zie ook de afleiding → roest.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rood* [kleur] {in de plaatsnaam Roderisa, nu Rodenrijs (Z.-H.) <1156>, root 1236} oudsaksisch rōd, oudhoogduits rōt, oudfries rād, oudengels read, oudnoors rauðr, gotisch rauþs; buiten het germ. latijn rufus [roodharig], ruber [rood], grieks eruthros, oudiers rúad, russisch (dial.) rudyj, litouws raudas [roodachtig, roodbruin], oudindisch rudhira- [rood].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rood bnw., mnl. root, os. rōd, ohd. rōt (nhd. rot), ofri. rād, oe. rēad (ne. red), on. rauðr, got. rauþs. — Daarnaast staan abl. germ. *reuða in oe. rēod ‘roodachtig’ en on. rjōðr ‘rood’ en *ruða in on. roð o. ‘rode kleur’, ohd. roten ‘blozen’, oe. rudian ‘rood worden’, on. roða ‘rood maken’ en on. roðra v. ‘bloed’, oe. āryderian ‘blozen’. — Idg. *roudho- vgl. umbr. 4. nv. mv. rofu ‘rood’, lat. dial. rūfus, rōbus, oiers ruad, gall. PN Roudus, lit. raũdas, osl. rudŭ en verder een west-idg. nieuwe formatie *rudhros (vgl. Porzig, Gliederung des idg. Sprachgeb. 1954, 194): lat. ruber, gr. eruthrós, osl. rūdrŭ, toch. A rtärye, rätram, B rätre; afw. oi. rudhirá- ‘rood’ (IEW 872-3). — Zie: roest.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rood bnw., mnl. root (d). = ohd. rôt (nhd. rot), os. rôd, ofri. râd, ags. rêad (eng. red), on. rauðr, got. rauþs “rood”. Met qualitatieven ablaut ags. rêod “roodachtig”, on. rjôðr “rood” (got. gariuþs “ingetogen” wsch. niet hierbij), ags. rêodan “rood, bloedig maken” (zie rooien II), on. rjôða “rood maken, met bloed verven”. Buiten ’t Germ. vgl. met idg. ou: ier. ruad “rood”, lat. rûfus (umbrosamnitische f) “rossig”, obg. *rudŭ (serv. rûd enz.), lit. raũdas “rood”, met eu: gr. ereúthō “ik verf rood” ‘(= ags. rêodan), met eu of ou: lat. rûbidus “donkerrood”, oi. róhita- “rood”. Met schwundstufe: ohd. rutihhôn “roodachtig zijn”, rotên “rood worden”, on. roða “id., rood zijn”, sôlar-roð, “morgenrood”, roðra v. “bloed”, roði m. “roode kleur”, roðna “rood worden” en buiten ’t Germ. o.a. lat. ruber, gr. eruthrós, obg. rŭdrŭ, oi. rudhirá- “rood”, lit. rùdas “roodbruin” en lat. rubêre, obg. rŭděti sę “rood worden” (= ohd. rotên). Andere verwanten nog bij roest I. De basis reudh-, waarvan al deze woorden komen, is een verlenging van ereu-, waarvan met andere formantia: oi. aruṇá-, aruṣá- “roodachtig”, lat. rutilus “id.”, misschien ook rûdus, rôdus, raudus “metaal”; zie nog bij ijzer. Van ereu- ook oi. raví-, arm. arev “zon”. Zie nog bij lood.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rood. Bij de germ. vormen met idg. u toevoegen: ags. rudu v. ‘rode kleur’ (Buiten het Germ. hierbij wsch. toch. B. ṟatre ‘rood’ < *rudhro-).
(Slot). Ten aanzien van de vraag of idg. *reudh- beschouwd mag worden als een verlenging van *ereu-, is voorzichtigheid of onthouding geraden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rood bijv., Mnl. root, Os. rôd + Ohd. rôt (Mhd. id., Nhd. rot), Ags. réad (Eng. red), Ofri. rád, On. rauđr (Zw. röd, De. rød), Go. rauþs + Skr. rudhiras, Gr. eruthrós, Lat. ruber (Lat. b = Idg. dh in de nabijheid van r), rufus, Ier. rua, Osl. rŭdrŭ, Lit. rudas: Idg. wrt. reu̯dh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

roed (bn.) rood; Aajdnederlands rot <918-948>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rooi b.nw.
1. Met die kleur wat op die laagste band van die sonnespektrum te sien is. 2. Met 'n gemengde kleur, maar waarin die rooi oorwegend voorkom. 3. Linksgesind in die politiek. 4. Engelsgesind.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. rode (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1857 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel (eerste helfte van die 19de eeu). Die eerste Eng. koloniste is gekenmerk deur die rooi kleur van hulle gelaat, o.a. as gevolg van die fel S.A. son (Malherbe s.j.: 301). Rooi, vir sowel die attr. as pred. vorm, het ontwikkel uit die Ndl. verboë attr. vorm rode. In die Ndl. spreektaal word meestal rooie as verboë vorm gebruik.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rood, (ook:) bruin en alle tinten tussen rood en bruin; in: rodebosgoejave*, rode ceder*, rode kabbes*, rode* slaaf, rode tijger*. - Etym.: S redi = id., hoewel ook S broin (= bruin) bestaat.
— : zie rode bosgoejave*, ceder*, fajalobi*, foengoe*, gedoe*.
—: rode hond’ (de), warmtepuistjes, d.z. lichte ontstekingen aan de uiteinden van de buisjes der zweetklieren. Ik werd sedert eenige weken door een huiduitslag, den zoogenaamden rooden hond, zoo geplaagd, dat mijn lijf er als eene enkele wond uitzag en mijne klederen mij overal vastkleefden (Kappler 1854: 47; oudste vindpl.). - Etym.: Vroeger was AN ’rode hond’ de aanduiding voor verscheidene, toen nog slecht onderscheiden ziektes die rode vlekken veroorzaken (WNT 1924). Nu beperkt de bet. zich in AN tot ’rubella’, in BN tot ’scarlatina’ (= AN roodvonk). S lontontoe (= id.) lijkt afkomstig van ’rode hond’.
— : zie ro(o)d(e) jakanta*, kabbes* (II), kana*, katoen*, kin*, klinkzand*, krapia*, lokus*, markoesa*, openkap*, panta*, sali*, sangrafoe*, savannegoejave*.
—: rode slaaf (de, slaven), (hist.) Indiaanse slaaf. De Corporaal Coens uit Abary zich andermaal op weg hebbende begeeven kwam behouden op de Dageraat aan met vyf Indiaanen en twee Roode Slavinnen van de Eendragt () (Hartsinck 1770: 420). - Etym.: Indianen zijn bruin tot roodbruin (zie rood*), i.t.t. de zwarte negerslaven. Oudste vindpl. plak. van 1698 (S&dS 219).
— : zie rode spinazie*, tijger*.
— : rode vis (de, -sen), (niet alg.) roodachtige zeevis met een rij scherpe stekels in de rugvin (Lutjanus purpureus). Tussen de 70 en 150 m [diepte] werd met lijnen gevist op de red snapper* (), in Suriname meer bekend als de rode vis (Enc.Sur. 638) - Opm.: Het syn. (zie het cit.) is juist méér gebr.
— : zie rode zuring*, zuurling*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rooi: bep. kleur (bv. v. bloed), attr. en pred. vorm v. b.nw.; uit verboë attr. vorm (ro(o)de) v. Ndl. rood (Mnl. root), Hd. rot, Eng. red, hou verb. m. Fr. rouge en roux, m. Lat. ruber (dial. Lat. robus en rufus), Gr. eruthros, vgl. roes II; v. ook daeraad I, rooidag.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Rooi bnw. bw. Segsw.: So rooi soos ’n kalkoen. Ndl. Rood als een kalkoensche haan. – Joos 27: Rood als een kalkoen; Teirl. II, 103: id.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

(Doe of geef mij maar van) dat rode daar, geef mij wat van dat rode (voedsel).

Deze woorden zijn een echo uit Genesis 25:30, 'Toen zeide Esau tot Jakob: Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe' (NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'dat rode dat je daar kookt'). De achtergrond is de volgende: Jakob en zijn tweelingbroer Esau zijn heel verschillend; Jakob is een 'huiselijk man', die in de tenten woont, en Esau is een jager. Wanneer Esau eens thuiskomt van de jacht en hongerig is, ziet hij dat zijn broer een schotel van rode linzen heeft bereid. Hij vraagt dat dan te eten in de boven aangehaalde woorden. 'Maar Jakob zeide: Verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorterecht' (Genesis 25:31, NBG-vertaling). Zo speelt dat rode een cruciale rol in het bedrog van Jakob. De woorden dat rode, of doe mij maar/geef mij maar van dat rode daar, zijn in hedendaags gebruikt gewoonlijk schertsend-plechtig bedoeld, bijvoorbeeld wanneer er roodachtig gekleurd voedsel aangeboden wordt. De aanloop kan nogal variëren: ook ik lust wel of ik heb liever van dat rode daar wordt wel gebezigd. Zie ook Eerstgeboorterecht.

Statenvertaling (1637), Genesis 25:30. Ende Esau seyde tot Jacob; Laet my doch slorpen van dat roode, dat roode daer.
[Gast zegt, kiezend uit de traktaties:] Doe mij maar van dat rode daar. (Gehoord, jaren '90)
De herfst is het einde. / De bomen verwelken tot granaat. / Geef mij toch ook wat van dat rode daar, / De soep wordt snel verorberd tot bedrog. (J. Wolkers in De Volkskrant, 24-9-1999, p. 25)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rood, van den Germ. wt. rud = rood zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rood ‘kleurnaam’ -> Zuid-Afrikaans-Engels red-, rooi- ‘prefix in veel planten- en dierennamen’; Negerhollands rooi, ro, roo, rood ‘kleurnaam’; Skepi-Nederlands aro ‘kleurnaam’.

rood ‘(rode) lebmaag van de koe’ -> Duits dialect Rode, Roon ‘(rode) lebmaag van de koe’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rood* kleurnaam 1156 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

rode libanon, hasj uit Libanon. Vgl. Engels Red Leb en Duits Roter Libanese.

Terwijl hij woest doortrapt vraagt hij: ‘Racefietsje kopen? Trek in uitstekende rode Libanon?’ (Carolijn Visser: Alle dagen vrij. Jeugd in de jaren 70–80. 1984)
Freddie vroeg Mikkie een paar flessen champagne te brengen en liet dikke joints met rode Libanon rondgaan. (Gerben Hellinga: Merg en been, 1985)
Op het bed van mijn jongste zusje rookten we rode Libanon tot we voor pampus lagen. (Joost Zwagerman: Gimmick, 1989)

rooie matjes, bepaald snoepgoed.

Voordat het kinder-panel op de tram stapt voor een oriënterend winkelbezoek, moet er eerst getracteerd worden op snoep. ‘Rooie matjes’ heet het in de hoofdstad. Smalle lappen van een zuur soort rubber, bestrooid met kristalsuiker. Absoluut het beste van wat er momenteel in de snoepwinkel te koop is. (De Volkskrant, 09/11/91)

rode familie, het geheel der linkse (rode) partijen in Nederland. Schertsend.

Wie er nog aan mocht twijfelen: sinds vorige week vrijdag bestaat de Rooie Familie definitief niet meer. (Haagse Post, 23/04/88)
Rode Familie? Hou nou toch op met dat gezeur. Er zijn zo ontzaglijk veel mythes over Het Vrije Volk in omloop. De achteruitgang van de krant heeft niets te maken met de PvdA of de Rode Familie, maar wel met slecht management en een idioot editie-systeem. (De Volkskrant, 23/03/91)
Bij nader inzien was het toch wel prettig toeven bij de rode familie. (Opzij, oktober 1991)
Maar voor mij huist het Rooie-Familiegevoel niet in een gebouw, maar in de hoofden van mensen die voor dezelfde zaak strijden. (De Volkskrant, 19/10/96)
Ondertussen werd pijnlijk duidelijk dat de rode familie met haar vanzelfsprekende solidariteit uit elkaar gevallen was: zo bleek het grootste deel van de FNV-leden geabonneerd te zijn op de TROS-kompas. (HP/De Tijd, 20/12/96)

rooie: over de — gaan (ontleend aan het machinistenjargon), uit zijn vel springen (van woede); buiten zichzelf raken. Slang.

Fransen! Daar waar de redenen om over de rooie te gaan en uit je vel te springen hand over hand toenemen, schiet het scheldarsenaal dat te onzer beschikking staat schromelijk te kort. (De Volkskrant, 27/04/85)
Op een avond in Los Angeles, toen ik stomdronken en compleet over de rooie was, kwam Andrew me opzoeken. (Club, februari 1988)
Toch gaat Fred geregeld over de rooie en dan moet niet slechts het meubilair het ontgelden. (Elsevier, 02/04/88)
Okay, de kans bestaat dat hij eens een keer over de rooie raakt, maar ik zou niet eens willen dat hij verandert. (Het Parool, 04/05/91)
In een falende poging een hoertje voor de zonde te behoeden, gaat hij finaal over de rooie, waarna hij het meisje bruut verkracht en aftuigt. (Nieuwe Revu, 18/06/97)
Over de rooie ging ik echt als een reportage moest worden afgebroken omdat het bedtijd was, of tijd voor Sesamstraat of omdat Teleac nu echt zijn les moest beginnen. (Trouw, 13/02/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

413. Voor de roode deur moeten gaan (of komen),

d.i. voor het gerecht komen, ook wel in algemeener zin: voor de heeren geroepen worden, voor de heeren moeten komen, om eene vermaning te ontvangen of zich te verantwoorden, voor het schapetafeltje (de schepentafel), op 't stoepje moeten komen (Ndl. Wdb. VI, 337). De oorsprong dezer zegswijze zal gezocht moeten worden in de gewoonte der middeleeuwsche heeren om in de poort hunner sloten eene roode deur te hebben. Wie den heer iets te vragen had, meldde zich hier aan, wie ter verantwoording geroepen werd of beklaagd kwam voor de roode deurFockema Andreae, blz 121; S. Muller Fz- Dom v. Utr. 9 a: De deuren zelven zijn rood geverfd. De kleur is geene uitzondering: alle deuren der kerk zijn, zoowel van buiten als van binnen, rood geverfd; toch zijn deze kerkdeuren bekend als ‘de roode deur’ bij uitnemendheid. Daar worden de bekendmakingen en de vonnissen van den bisschoppelijken officiaal aangeplakt, en ook de beleeningen der bisschoppelijke leenmannen hebben plaats voor de roode deur van den Dom. De deur zal wel rood geverfd zijn, omdat deze kleur in het algemeen het gerecht, vooral het halsrecht, aanduidt. Vgl. de roode roe, hd. der rote Meister (de beul), de roode tabberd van den rechter, het roode dorp (gevangenis).. Vgl. Sart. II, 9, 76: Ghy sult voor de roode deur gaen; Tuinman I, 41. Later verstond men onder voor de roode deur gaan, in het huwelijk treden, daar bijv. in Amsterdam de kamer in de Oude Kerk, waar de commissarissen van huwelijkszaken vergaderden, door eene rood geschilderde deur met een der zijbeuken van de kerk, die als wachtkamer dienst deed, was verbondenDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl, 172; Wagenaar, Amsterdam II, 96 b.. Zie Halma, 548: Zij gaan van daag voor de roô deur, ils vont aujourd' hui se fiancer à l'hôtel de ville; Sewel, 173; de Klucht van de bedroogen Smit, 1726, bl. 31: 'k Mien oock haest met een hartje voor de Roode deur te gaen. Thans is de uitdrukking weinig meer in gebruik; zie Harreb. I, 128 b; Ndl. Wdb. III, 2467; XIII, 1184; De Cock1, 70 en Schuermans, 93 b. Volgens Hoeufft, 498 zegt men in Breda: voor 't roode kleed komen of staan, trouwen, omdat in de zaal, waar zulks geschiedt, de tafel overdekt is met een rood kleed.

722. Niet zuiver (of rood) op de graat,

d.w.z. van personen gezegd niet zuiver, niet in alle opzichten eerlijk of vertrouwbaar, niet zuiver van geweten; van zaken of gebeurtenissen: niet in den haak, waar een luchtje aan zit, eigenlijk gezegd van een visch, die begint te bederven, die niet volmaakt ‘frisch’ meer is; Ndl. Wdb. V, 525. In het Friesch zegt men: hy is net skien op 'e hûd, efter 't fesje, oan 'e lever, net suver op 'e graet; in Twente: hee is nig zuver op de bloase; hd. nicht sauber übers Nierenstück; Amst. 55: Hier moet je zuiver op de graat wezen dan kunje de heeren in de oogen zien; bl. 22: D'r benne d'r altijd bij die niet zuiver op de graat benne; Uit êén pen, 29: Zuiver op de graat is hij niet; Nkr. VIII, 3 Januari, p. 5: 'k Waarschuw dus mijn beste maat, houd je zuiver op de graat; Dsch. 158: Dat was voorbij.... dat was geweest.... al was 't niet zuiver op de graat (= niet geheel in den haak); zoo ook Dsch. 214; in Het Volk, 9 Febr. 1914 p. 6 k. 1: Onzuiver op de graat. Vgl. ook hij is rood op de graat van iemand, die van Socialisme verdacht wordt, een sociaaldemocraat (naar de roode vlagRood is de warme, aktieve op ons aandringende kleur, de opwindende, heete gloed, vla. Hij is rood, hij is vurig, de roode partij (der ophitsende socialisten); Leuv. Bijdr. X, 82.; zie Nkr. VII, 1 Nov. p. 3:

Sjefke, hoor toch naar goeden raad,
Sjefke, word toch niet rood op de graat.

Kalv. II, 67: Sedert had hij een doodelijken haat aan de socialisten. Hij onderzocht of er onder zijn personeel ook ‘rooden op de graat’ waren; De Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 4 k. 2: Onderwijzers met wie je over de sociale kwestie kan praten, die zoo half en half rood op de graat waren; Handelsblad 17 Maart 1922 (A) p. 6 k 4: In tegenstelling met verschillende andere landen, waar vooral het lager-onderwijs gevend personeel tamelijk zelfs uitgesproken rood op de graat is, moet de Duitsche onderwijswereld als beslist conservatief en reactionnair beschouwd worden; fr. un rouge; hd. ein Roter (Republikaner); eng. a red republican.

722. Niet zuiver (of rood) op de graat,

d.w.z. van personen gezegd niet zuiver, niet in alle opzichten eerlijk of vertrouwbaar, niet zuiver van geweten; van zaken of gebeurtenissen: niet in den haak, waar een luchtje aan zit, eigenlijk gezegd van een visch, die begint te bederven, die niet volmaakt ‘frisch’ meer is; Ndl. Wdb. V, 525. In het Friesch zegt men: hy is net skien op 'e hûd, efter 't fesje, oan 'e lever, net suver op 'e graet; in Twente: hee is nig zuver op de bloase; hd. nicht sauber übers Nierenstück; Amst. 55: Hier moet je zuiver op de graat wezen dan kunje de heeren in de oogen zien; bl. 22: D'r benne d'r altijd bij die niet zuiver op de graat benne; Uit êén pen, 29: Zuiver op de graat is hij niet; Nkr. VIII, 3 Januari, p. 5: 'k Waarschuw dus mijn beste maat, houd je zuiver op de graat; Dsch. 158: Dat was voorbij.... dat was geweest.... al was 't niet zuiver op de graat (= niet geheel in den haak); zoo ook Dsch. 214; in Het Volk, 9 Febr. 1914 p. 6 k. 1: Onzuiver op de graat. Vgl. ook hij is rood op de graat van iemand, die van Socialisme verdacht wordt, een sociaaldemocraat (naar de roode vlagRood is de warme, aktieve op ons aandringende kleur, de opwindende, heete gloed, vla. Hij is rood, hij is vurig, de roode partij (der ophitsende socialisten); Leuv. Bijdr. X, 82.; zie Nkr. VII, 1 Nov. p. 3:

Sjefke, hoor toch naar goeden raad,
Sjefke, word toch niet rood op de graat.

Kalv. II, 67: Sedert had hij een doodelijken haat aan de socialisten. Hij onderzocht of er onder zijn personeel ook ‘rooden op de graat’ waren; De Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 4 k. 2: Onderwijzers met wie je over de sociale kwestie kan praten, die zoo half en half rood op de graat waren; Handelsblad 17 Maart 1922 (A) p. 6 k 4: In tegenstelling met verschillende andere landen, waar vooral het lager-onderwijs gevend personeel tamelijk zelfs uitgesproken rood op de graat is, moet de Duitsche onderwijswereld als beslist conservatief en reactionnair beschouwd worden; fr. un rouge; hd. ein Roter (Republikaner); eng. a red republican.

752. Rood als een kalkoensche haan,

d.w.z. zeer rood, van toorn of van schaamte; eigenlijk zoo rood als de kam en de lellen van een kalkoenschen haan, wanneer hij kwaad wordt; Harreb. I, 267; Ndl. Wdb. VII, 1002. In de 17de eeuw was 't kalkoensche haentjen de bijnaam van den steeds bulderenden predikant Triglandt. In Zuid-Nederland zegt men: zoo rood gelijk een haan; fr. rouge comme un coq (Schuermans, 170) of rood als een kalkoen, als een gekamde (kwade) haan (Joos, 27). Vgl. ook hd.: rot, zornig wie ein Zinshahn; oostfri. so rod as 'n puter (Ten Doornk. Koolm. II, 780); hd. puterrot; eng. as red as a turkey-cock.

750. Den rooden haan in iets steken,

d.w.z. den brand in iets (een huis, een dak, eene plaats) steken. Bij ons luidde zij vroeger (15de eeuw): den rooden haan over iemands huis laten vliegen of laten gaan; een of den haan met den rooden kam laten vliegen (Ndl. Wdb. VII, 1047); later ook den rooden haan ontsteken, laten kraaien of door 't dak jagen; en thans nog den rooden haan uitsteken of uit iets, ergens uit steken, op 't dak zetten. Friedr. Kluge heeft eene zeer aannemelijke verklaring van deze uitdrukking gegeven in zijne studie over de dieventaal (Gaunersprache, Rotwelsch), waarin hij haar in verband brengt met de teekens die ‘Mordbrenner’ op huizen, kerken of kruisen aanbrachten om te kennen te geven, dat aldaar brand zou moeten worden gesticht. ‘Mehrere gute Quellenzeugnisse verweisen nämlich die zuerst bei Hans Sachs belegte Redensart unter die Mordbrenner, unter denen es wie unter Bettlern und Dieben schon im sechzehnten Jahrhundert eine besondere Zeichenschrift gab, die man neuerdings als Gaunerzinken bezeichnet. Eines derselben faszt man nun als Hahn auf, der Brandstiftung bedeutet, während der “rote” Hahn in unsrer Redensart wohl auf den Rötel (rood krijt) hindeutet, womit die Gaunerzinken gern an Kirchen und Straszenecken oder einsamen Kreuzen angebracht wurden’.Zie F. Kluge, Zeitschrift des Allgemeinen Deutschen Sprachvereins, XVI, sp. 8; Rotwelsch, Quellen und Wortschatz der Gaunersprache, I, 96-105; ook Unser Deutsch, 76; Günther, 99. Zie andere pogingen ter verklarng bij K. Müllenhoff, die Natur im Volksmunde, 48 en in Taal en Letteren IV, 110; 273; vgl. ook het Ndl. Wdb. V, 1387; Stallaert I, 547 a; Ons Volksleven V, 194; Nkr. VII, 26 Juli, p. 2: Een huis zonder achterdeur is gevaarlijk als de roode haan er in kraait (fig. voor 't socialisme); V, 17 Oct., p. 3: En in de Hofstad kraaide (op den rooden Dinsdag) de roode haan; Winschooten, 75, die den rooden haan verklaart als ‘een brandend Lont’, waarin hij door Sewel en Halma gevolgd wordt. Vgl. Nkr. IX, 9 Januari p. 2: Alleen dien stal kon ik nog vernielen; daar heb ik den rooden haan in laten kraaien; V.v.d.D. 62: Ik weet nog van 'n boer, die ons niet in z'n hooiberg wou laten slapen. ‘Dan gaat de rooie haan d'r op’, zei de Dalles met z'n raarste oogen; Handelsblad, 2 Maart 1915 (avondbl.) p. 6 k. 2: Wij hebben over het gedrag van sommige rijke Belgen, die hier een gemakkelijk onderkomen hebben gevonden en den gebraden haan uithangen, terwijl in hun ongelukkig land de roode haan kraait, in een Hollandsch blad niet willen beschrijven; Joos, 77; Waasch Idiot. 271; Antw. Idiot. 1734; Wander II, 269: jem. einen roten Hahn aufs Dach setzen (oder fliegen lassen) en Eckart, 182: 'n rô(d)n Hoan up 't Dack sett'n; fri. de reade hoanne op it hûs sette; eng. the red cock will crow in his house; there is a cock, daar is brand. Vondel gebruikt als synoniem van den rooden haan ontsteken ook roode paarden zadelenVgl. Vondel, VII, 647; Het bootsvolck voert de vlagh en wimpel, zwaeit de zwaerden, rolt tonnen buskruit voort of zadelt roode paerden, ontsteeckt den rooden haen; vgl. Ndl. Wdb. XIII, 1309..

1952. Met een roode letter in den almanak aangeteekend staan,

d.w.z. als een heilige vereerd worden; hooggeschat, in eere gehouden worden; ontleend aan de gewoonte om in den almanak de heilige dagen met een roode letter aan te wijzen; vgl. eng. red-letter day, feestdag; hd. einen Tag im Kalender rot anstreichen. Zie De Brune, Bank II, 21: Kleyne beuzelinghen, die van passe zoo veel zouts hebben, dat-ze niet fletsch en smakeloos zijn, werden gecanonizeert, en verdienen een roode letter in den almanack; Pierlep. 6: Zoo je dat wel uitvoert, je bent een roo letter in jou Almanak; Hooft, Brieven, 563: Ik vind' er U.E. naam al meede gespelt, en, om zoo te zeggen met roode letters; Six. v. Chand. Poesy, 575:

 Ik teeken in myn almanach
 Met rooden ink dien goeden dagh.

Verder Van Effen, Spect. X, 135; Tuinman I, 22: hy zal geen roode letter in den Almanack krijgen; De Cock I1, 248; Volkskunde XIV, 150; Harrebomée I, 13: Het is geen heilige: hij zal geene roode letter in den almanak krijgen; Slop, 105: Hij behoorde tot de zoogenaamde beruchte lui, die met een rood kruis staan aangeschrevenOok in het Fransch beteekent être écrit là en lettres rouges, er slecht aangeschreven zijn; marquer quelqu'un à l'encre rouge.; Ndl. Wdb. XIII, 1182; 1183; vgl. het fri.: hy kriget in reade letter yn 't almenak, hij heeft zich verdienstelijk gemaakt, dit zal hem in 't vervolg goed doen. De Romeinen zeiden albo of candido calculo notare, met een wit steentje merken; vgl. no. 1238.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut