Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rond - (cirkelvormig; niet hoekig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rond bn. ‘cirkelvormig; niet hoekig’
Mnl. af si sullent in rond corten al ombe ‘ze zullen het (haar) helemaal rondom afknippen’ [1236; VMNW], ront ‘rond’ [1240; Bern.].
Ontleend aan Oudfrans reont ‘rond’ [ca. 1100; Rey] (Nieuwfrans rond [ca. 1380; Rey]), via een vulgair-Latijnse overgangsvorm *retundus ontwikkeld uit klassiek Latijn rotundus ‘rond, wielvormig’, een afleiding van rota ‘wiel, cirkel’, zie → roteren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rond [bolvormig] {ront, runt 1236} < frans rond, teruggaand op latijn rotundus [rond], gevormd naar rota [wiel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rond bnw., mnl. ront, evenals mnd. runt (> nde. nzw. rund), mhd. runt (nhd. rund), ne. round < fra. rond < lat. rotundus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rond bnw., mnl. ront (d). Evenals mhd. runt (d; nhd. rund), mnd. runt (d; > de., zw. rund), eng. round “rond” uit fr. rond “id.” (< lat. rotundus “id.”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rond bijv., gelijk Hgd. rund, Eng. round, uit Fr. rond, van Lat. rotundum (-us), een afleid. van rota = rad 1 (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

roond (bn.) cirkelvormig; Vreugmiddelnederlands rond <1236>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schijf (de, schijven), (ook:) niet uitgebeende, magere runderlappen. De schijf, kasripo*, kaneel, pimentkorrels en pepers* erbij doen. Op een zacht vuurtje goed laten doorkoken tot het vlees helemaal zacht is () (S&S 148). - Etym.: In AN veroud., maar had het dezelfde bet. als nu in het SN? Noel Ch. & d. Ch. (1778: 3345) vermelden ’kalverschijf’, ’runderschijf’ e.a. - Zie ook: varkensschijf*, stoofvlees*.
— : ronde schijf, schenkelvlees met been, bestemd voor soep. - Syn. ronde soep*.

struis’bol (de, -len), halfbolvormige bol* (1) van brooddeeg, geel, d.m.v. een essence van enige smaak voorzien, bedekt met harde suiker. - Opm.: Een produkt van de firma Fernandes. Wordt ook wel ronde struisbol genoemd, ter onderscheiding van victoriastruisbol*.

biram’bi (de, -’s), 1. kleine boom met eetbare vruchten, afkomstig uit Z.O.-Azië (Averrhoa bilimbi, Birambifamilie*). Birambi (). Kleine boom met onregelmatige kruin en vrij dikke takken (May 12). - 2. vrucht van deze plant. Birambi kan ook zonder uien in azijn worden ingemaakt. In plaats van de puntjes te verwijderen, kunnen de birambi’s heel worden gelaten (S&dS 296). - Etym.: Oudste vindpl. Teenstra 1835 II: 255 (Bilamby of Biramby). In oudere lit. vaak bilambi. - Zie ook: fransmanbirambi*.
— : kleine of ronde birambi, 1. kleine boom met eetbare vruchten, afkomstig uit tropisch Azië (Phyllanthus acidus, Cassavefamilie*). Zie Ost. 32. - 2. vrucht van deze plant. Ronde birambi’s op brandewijn (S&S 292). - Etym.: De naam heeft betrekking op de vruchten, die, i.t.t. die van birambi, klein en rond zijn. Oudste vindpl. Teenstra 1835 II: 255. - Syn. van 1 en 2 gooseberry*. Zie ook: fransmanbirambi*.

snij’boon (de, -bonen), 1. windend kruid met witte of paarse vlinderbloemen en veelzadige peulen, dat een cultuurvorm is van de Amerikaanse Phaseolus vulgaris (Bonenfamilie*). - 2. peul (’boon’) van deze plant, die gegeten wordt. - Etym.: De peulen worden voor de toebereiding gesneden. Echter, ze zijn veel smaller dan de AN snijboon en lijken meer op de AN spercieboon (SN ronde snijboon*, breekboon*), alle cultuurvormen van Phaseolus vulgaris. - Zie ook: kouseband*.
— : ronde snijboon, 1. spercieboon, een plant gelijkend op de gewone snijboon* (1) en behorend tot dezelfde soort. - 2. spercieboon, de peul (’boon’) van deze plant, die gegeten wordt. Zie S&S 117. - Etym.: De peul is op doorsnede rond, i.t.t. de gewone snijboon* (2) en wordt, ondanks de naam, niet gesneden maar gebroken voor de bereiding, vandaar het syn. breekboon*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

rond (Frans rond)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rond, van ’t Fr. rond, en dit van ’t Lat. rotundus, van rota = rad. Een rotonde is een ronde koepel: de Rotonde bij Blaricum (Gooi).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rond ‘voorzetsel: om, rondom’ -> Ambons-Maleis rond ‘rondom’; Sranantongo lontu ‘voorzetsel: om, rondom; omringen’.

rond ‘bolvormig’ -> Deens rund ‘bolvormig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors rund ‘bolvormig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds rund ‘bolvormig’ (uit Nederlands of Nederduits); Kupang-Maleis rond, ronda ‘rondgaan’; Menadonees rond, ronda ‘rondgaan’; Ternataans-Maleis rond, ronda ‘rondgaan’; Javindo ron ‘bolvormig’; Creools-Portugees (Batavia) ron, rond ‘bolvormig’; Creools-Portugees (Ceylon) ront, rónte ‘bolvormig’; Negerhollands rond, ront, ron, run ‘bolvormig’; Berbice-Nederlands rondo ‘bolvormig’; Papiaments rònt (ouder: rond) ‘bolvormig’; Sranantongo lontu (ouder: rontoe) ‘bolvormig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rond bolvormig 1236 [CG I1, 24] <Frans

rond voorzetsel 1836-1838 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

712. Goed rond, goed Zeeuwsch,

d.w.z. een goede Zeeuw is openhartig, rondborstig, ongeveinsd; ook met betrekking tot manieren: eenvoudig, niet vormelijk, eene deugd, die men oorspr. eerst aan de Zeeuwen schijnt toegeschreven te hebben. Vgl. Kiliaen: Goedrond goed zeeus, adag. crassa Minerva, incondite et simpliciter; Plantijn: Goet rondt goet zeeusch, tout à la bonne foy, sans malice, simpliciter, sincere, absque fuco, bona fide; Servilius, 25: goet ront goet zeeus; Mergh, 21: goed ronds goets zeeuws; Sartorius I, 1, 72: Goet rondt, goet Seeuws, nos à Zelandis trahimus paroemiam, gente callida quidem, et extra fucum aperta ac libera, ut qui rotundis cum homine, et non ita ad dolum compositis verbis agunt; Winschooten, 213: goed rond, goed Seeuws: het welk de Seeuwen haar selven toe schrijven; Halma, 190; Tuinman I, 42: goed ronds, goed Zeeuwsch, dat wil zeggen, die een vriend is van de oude en ronde waarheid, is het ook van de Zeeuwen, die zodanige zyn; Harreb. II, 228 b. Vgl. een dergelijk gezegde van de Utrechtenaren bij Sart. III, 10, 86: Stichts man, lichts man. Bij Halma, 329: Luiker bloed doet niemand goed.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut